Selecteer een pagina

Begrippenlijst

Zoeken...
Generic filters
Exact matches only
Filter by Custom Post Type

Aandeel
Bewijs van (mede)eigenaarschap van een onderneming. De houders van aandelen kunnen hun stem uitbrengen in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA) en kunnen recht hebben op (een deel) van de winst. De rechten die aan aandelen zijn verbonden, kun-nen verschillen. Concreet: als houder van een aandeel kun je, via de AvA, inspraak hebben in de bedrijfsvoering van een onderneming. Dit kan in de praktijk lastig zijn, één aandeel ING zal niet leiden tot veel inspraak in de bedrijfsvoering.

Aandeelhouderswaarde
Nederlandse vertaling van het Angelsaksische begrip shareholder value. Als de directie van een onderneming het heeft over het creëren van aandeelhouderswaarde betekent dit dat zij zullen trachten zo goed te presteren, hetgeen bijvoorbeeld resulteert in hogere dividenduitke-ring of stijging van de koers van het aandeel. Met dit begrip wordt vaak ook bedoeld dat de kortetermijnbelangen voor uitsluitend de aandeelhouders worden nagestreefd. De term sha-reholder value (Angelsaksisch model) wordt vaak gesteld tegenover stakeholders value (Rijnlands model).

Aandelenclaim
Voorkeursrecht van oude aandeelhouders voor inschrijving op nieuwe aandelen.

Aandelenkapitaal
Het aandelenkapitaal is op de balans een onderdeel van het eigen vermogen. Het gaat om het totale bedrag van de nominale waarde van de aandelen, die door de onderneming zijn ge-plaatst en opgevraagd.

Maatschappelijk kapitaal minus nog niet uitgegeven aandelen =
Geplaatst kapitaal.
Geplaatst kapitaal minus nog niet opgevraagd kapitaal =
Opgevraagd kapitaal.
Opgevraagd kapitaal minus nog niet gestort kapitaal = Gestort kapitaal.

Aandelensplitsing
Een bestaand aandeel wordt opgesplitst in meerdere aandelen met een lagere nominale waarde.

Aanschafwaarde
Alle uitgaven die direct verbonden zijn met het verkrijgen van een activum. Bijvoorbeeld ook de bijkomende kosten om het activum te verwerven.

Aanvaardbare kosten
(begrip uit de zorgsector)
Het resultaat (budget) van het maken van volume- en prijsafspraken over de prestaties die de zorgaanbieder moet leveren.

Absorption costing
Zie Integrale kostencalculatie.

Accountant (register)
De controle van de jaarrekening is een van de belangrijkste taken van een (certificerende) accountant. Hij stelt dan vast of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid en geeft zijn oordeel daarover weer in een accountantsverklaring. Deze certificerende be-voegdheid is van toepassing op het accountantsberoep bij Registeraccountants (met de titel RA) en Accountants-Administratieconsultenten (met de titel AA). Andere taken van een ac-countant kunnen zijn adviserings-, samenstellings- en due diligence opdrachten.

Accountantsrapport/auditrapport
(begrip uit de overheidssector)
Schriftelijk verslag van een accountant/auditor over de bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar: (a) de totstandkoming van de bedrijfsvoeringsinformatie en de beleidsinfor-matie van een departement, (b) het financieel beheer en het materieelbeheer van een depar-tement en (c) de financiële informatie in het jaarverslag van een departement (dan
wel in het jaarverslag van het Rijk).

Accountantsverklaring
Verklaring waarin de accountant zijn oordeel geeft over de gecontroleerde jaarrekening. Deze verklaring bestaat uit drie onderdelen: de opdracht, de werkzaamheden en het oordeel.

De accountantsverklaring geeft ook aan of het jaarverslag is opgesteld overeenkomstig de daarvoor geldende verslaggevingvoorschriften en of de in het jaarverslag opgenomen niet-financiële informatie niet strijdig is met de financiële informatie. Wanneer een accountant in het jaarverslag fouten en onzekerheden constateert die het getrouwe beeld van de financiële in-formatie in het jaarverslag of het getrouwe beeld van de rechtmatigheidinformatie in de be-drijfsvoeringparagraaf aantasten, geeft hij geen goedkeurende accountantsverklaring. Wan-neer een accountant niet vast kan stellen of de financiële informatie in het jaarverslag een ge-trouw beeld geeft, kan hij een verklaring van oordeelonthouding geven.

Voor de overheidssector wordt hiermee een oordeel gegeven over het getrouwe beeld van de in het jaarverslag opgenomen jaarrekening met de daarbij behorende financiële toelichtin-gen en over de in de bedrijfsvoeringsparagraaf opgenomen rapportage over de rechtmatig-heid van de begrotingsuitvoering.

Achtergestelde lening
Een achtergestelde lening kenmerkt zich door het feit dat deze pas wordt afgelost indien alle overige schuldeisers zijn terugbetaald.

Acid Test
Zie Quick ratio.

Acquisitie
Het kopen van bijvoorbeeld een onderneming.

Activa
De bezittingen van de onderneming. Al datgene waarin het vermogen van de onderneming is vastgelegd. Materiele en niet-materiële zaken waar door de onderneming een waarde aan wordt toegekend. De activa staan op de linkerzijde (debetzijde) van de balans.

Activeren
Het activeren van kosten betekent het opnemen op de balans van de onderneming. Daarbij worden de bijbehorende kosten over (veelal) meerdere jaren uitgesmeerd. De kosten worden dus niet in één keer maar gedurende een bepaalde periode ten laste van de winst-en-verliesrekening gebracht. Het wel of niet activeren van kosten beïnvloedt in grote mate het resultaat van de onderneming.

Activity-based costing (ABC)
Het ABC-systeem is een methode om de indirecte kosten toe te wijzen op basis van de acti-viteiten (de uitgevoerde taken) die de kosten veroorzaken. In tegenstelling tot traditionele systemen, kijkt het ABC-systeem veel nauwkeuriger naar de veroorzakers van de kosten en wijst daar de indirecte kosten aan toe.

Actuele waarde (van de activa)
Het begrip actuele waarde wordt, veelal, gebruikt als andere methode dan de historische kostprijs. Tegenover die historische kostprijs is dan sprake van een herwaardering die bij-voorbeeld op basis van vervangingswaarde kan zijn, maar ook op allerlei andere manieren kan zijn bepaald. Hierbij hoeft het overigens nog helemaal niet duidelijk te zijn of het betreffen-de actief (bijvoorbeeld een gebouw) na verbruik in de verre toekomst weer vervangen zal worden.

Hiervan uitgaande kunnen in het stelsel van de actuele waarde drie uitgangspunten worden gehanteerd:
– Het gebruik van de vervangingswaarde waarbij waarde van het activum datgene is dat betaald dient te worden voor het verkrijgen of vervaardigen van een vervangend be-drijfsmiddel.
– Het gebruik van de directe opbrengstwaarde waarbij de onderneming verwacht op korte termijn het gebruik van het activum te staken. De waarde die maximaal verkregen kan worden, onder aftrek van te maken kosten.
– Het gebruik van de bedrijfswaarde waarbij het gebruik van het activum zal doorgaan, maar er geen verwachting is het activum op langere termijn te vervangen. Ook wel indi-recte opbrengstwaarde genoemd. Deze waarde is gelijk aan de positieve resultaten die nog met het activum gehaald kunnen worden.

De wet op de jaarrekening gaat uit van drie verschillende waarderingsstelsel:
1. historische kostprijs, 2. de actuele waarde en 3. de nettovermogenswaarde.
De waardering kan betrekking hebben op zowel de activa als de passiva.

Adjusted Present Value (APV)
Waarderingsmethode waarbij eerst de waarde (net present value) van een onderneming wordt bepaald indien deze uitsluitend met eigen vermogen wordt gefinancierd. Vervolgens wordt aan de hand van de gewenste (c.q. haalbare) verhouding vreemd/eigen vermogen van een potentiële koper, de waarde verhoogt met het belastingvoordeel op rente (adjusted pre-sent value).

Afnemerskrediet
Het afnemerskrediet is een onderdeel van het kort vreemd vermogen. De goederen of dien-sten worden vooruit betaald en later pas aan de afnemer geleverd.

Afschrijving
Door het gebruik of het verstrijken van de tijd daalt een productiemiddel in waarde. Deze (boekhoudkundige) waardeverminderingen in een bepaalde periode worden afschrijvingskos-ten genoemd. De methode waarmee dit plaatsvindt, wordt de afschrijvingsmethode genoemd. Op de balans staat de aanschafprijs minus de tot dan toe gedane afschrijvingen. Deze af-schrijvingen moeten ook in de toe¬lichting op de balans staan opgenomen. Op de winst-en-verliesrekening worden de afschrijvingen als kosten ten laste van de re¬sultaten gebracht.

Afschrijvingskosten
Waardedaling van duurzame activa, die aan een bepaalde periode worden toegerekend.

Afschrijvingsmethoden
Er zijn verschillende manieren om de afschrijving van een activum in de balans te verwerken. Elke methode heeft specifieke kenmerken en daardoor voor- en nadelen. Voorbeelden zijn een:
– vast percentage van de aanschafwaarde;
– vast percentage van de boekwaarde en;
– afnemend percentage van de aanschafwaarde.

In de profit-sector wordt, onder druk van de IFRS-richtlijnen (International Financial Reporting Standards), voor bepaalde activa (zoals met goodwill) gewaardeerd op basis van de actuele waarde (‘fair value principle’). Dit impliceert ieder jaar opnieuw kijken naar de werkelijke waar-de van het activum. Afhankelijk van het balansobject (het activum) en tolerantiegrenzen wor-den waardecorrecties doorgevoerd die eventueel naar de winst-en-verliesrekening gaan. In de non-profit sector wordt de afschrijvingsmethode veelal gekoppeld aan termijnen zoals voor gebouwen een afschrijvingstermijn voor 40 jaar geldt, machines, inrichting en stoffering 10 jaar en vervoermiddelen en gereedschappen 5 jaar (bron: jaarstukken gemeente Tilburg).

Afzet
Verkoopomvang in aantal producten of diensten. Omzet is afzet maal geldende afzetprijzen.

Agio
Agio (gewoonlijk agioreserve genoemd) omvat de opbrengst uit de uitgifte van aandelen voor zover deze opbrengsten hoger zijn dan het nominale bedrag van de aandelen (aandelen bo-ven pari).

Algemene reserve
(begrip uit de overheidssector)
Een onderdeel van het eigen vermogen. Bij een algemene reserve ligt niet per definitie de be-steding (bestemming) van de gelden vast. De primaire functie van een algemene reserve is het vormen van een buffer om algemene risico’s op te vangen om de continuïteit van de or-ganisatie te waarborgen bij niet-voorziene tegenvallers.

Algemene vergadering van aandeelhouders (AvA)
(Meestal jaarlijkse) bijeenkomst van aandeelhouders waarin het bestuur verantwoording af-legt aan de aandeelhouders ten aanzien van het gevoerde beleid. Een aantal te nemen beslui-ten dient te worden voorgelegd aan de AvA. Daarnaast kunnen besluiten aan de orde zijn waarvan in de statuten is geregeld dat deze ter goedkeuring aan de AvA voorgelegd dienen te worden.

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
(begrip uit de zorgsector)
De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) verzekert de zorg en begeleiding bij langdurige ziekte, handicap of ouderdom. De Zorgverzekeringswet (Zvw) voorziet in uw zorgverzekeringen voor kortdurende, op genezing gerichte zorg. De AWBZ is dus een aan-vulling op de Zvw.

Allocatiefunctie
(begrip uit de overheidssector)
De allocatiefunctie van de begroting gaat over de allocatie van schaarse middelen en een doelmatige uitvoering van het beleid via het budgetmechanisme. Een budget is een uitvloeisel van de begroting en een instrument om management control uit te oefenen. Het komt tot stand via een aantal stappen dat moet leiden tot de autorisatie voor de uitvoering van onder-delen van de begroting door bevoegde personen of instanties. Een budget krijgt door die pro-cedure een taakstellend karakter. Het geeft het recht, maar ook de plicht om bepaalde activi-teiten uit te voeren en daarvoor het bedrag te gebruiken dat beschikbaar is gesteld.

Annuïteitenlening
Een annuïteit is een periodiek gelijkblijvend bedrag, bestaande uit een aflossingscomponent en een rentecomponent. Doordat periodiek wordt afgelost, daalt de verschuldigde rente en wordt de aflossingscomponent gedurende de looptijd groter.

Annuïteitenmethode
Dit is een afschrijvingsmethode waarbij de afschrijving van een productiemiddel zodanig wordt gekozen, dat het totale bedrag aan afschrijving plus rente jaarlijks gelijk is. Dat betekent elk volgend jaar een toenemend afschrijvingsbedrag bij een dalend rentebedrag.
Zie ook Afschrijvingsmethoden.

Apparaatsuitgaven
(begrip uit de overheidssector)
Uitgaven voor personeel en materieel die nodig zijn om het departement te doen functioneren, zoals salarisuitgaven, (onderhouds)uitgaven voor de huisvesting, overheaduitgaven. Andere uitgaven die een ministerie doet zijn programma-uitgaven.

Arbeidsintensieve productiemethode
Productiemethode waarbij relatief veel kosten gemaakt worden voor de factor arbeid. Zo is bijvoorbeeld stuksproductie arbeidsintensiever dan massaproductie dat meer kapitaalsinten-sief is. De nadruk ligt op de productiefactor arbeid. Vooral de dienstensector is kapitaalsin-tensief. Zie ook Kapitaalintensieve productiemethode.

Arbeidsquote
De arbeidsquote is het getal dat de verhouding weergeeft tussen de personeelskosten en de toegevoegde waarde. Hierbij gaat het om het percentage toegevoegde waarde dat dient ter dekking van de loonkosten.

Formule: personeelskosten
Arbeidsquote =

bruto marge

Artikelsgewijze oordeelsvorming
(begrip uit de overheidssector)
Wijze waarop het oordeel van de Algemene Rekenkamer over begrotingsartikelen tot stand komt. Ten behoeve van het budgetrecht van de Tweede Kamer voor de afzonderlijke begro-tingsartikelen, hanteert de Algemene Rekenkamer kwantitatieve tolerantiegrenzen op het ni-veau van begrotingsartikelen. Dat wil zeggen: per begrotingsartikel wordt gekeken hoeveel fouten en/of onzekerheden er zijn, hoeveel geld daarmee in totaal gemoeid is en of dit totaal het bedrag te boven gaat dat de Algemene Rekenkamer voor het begrotingsartikel in kwestie nog toelaatbaar acht.

Altman Z-Score
Dit is een quickscan en een, niet altijd betrouwbare (75-80%), methode om te voorspellen of een organisatie in financiële problemen zal gaan geraken. In de formule wordt rekening ge-houden met een vijftal factoren (verhoudingen) die van een gewicht worden voorzien. De vijf formules worden afzonderlijk berekend, van weging voorzien en bij elkaar opgeteld. Hoe ho-ger de score, hoe kleiner de kans is dat de onderneming in financiële moeilijkheden zal ko-men.

Altman ontwikkelde de formule in 1968. In deze periode werd het economisch landschap ge-domineerd door industriële bedrijven, maar de Z-score blijkt ook goed te werken voor de dienstensector. De formule is alleen geschikt voor beursgenoteerde ondernemingen, voor de gezondheidzorg is de score dus niet geschikt. De Altman Z-score is uitgewerkt in een A-variant voor productiebedrijven en een B-variant voor overige ondernemingen. De wegings-factoren verschillen zeer sterk in de beide varianten.

Norm:
De uitkomsten van de verschillende verhoudingsgetallen dienen bij elkaar opgeteld te worden. Bij 1,8 of minder is er acuut gevaar voor faillissement. Een 3 of hoger duidt op een gezonde onderneming.

Audit
Een audit is het controleren van een onderneming. Dit kan bijvoorbeeld zijn het uitvoeren van:
1. een onderzoek naar een proces of onderneming en / of;
2. een accountantscontrole van een verantwoordingsstuk, zoals een jaarrekening, subsidie-aanvraag of interne (management) rapportage.

Doel van een audit is het verschaffen van (additionele) zekerheid aan de opdrachtgever of derden (maatschappelijk verkeer). Een procesaudit richt zich op het onderzoek naar de op-zet en werking van beheersmaatregelen. Een financiële audit richt zich op de betrouwbaar-heid van de verslaglegging. De uitvoerenden (auditors) zijn gespecialiseerde controleurs zo-als accountants, kwaliteitsauditor of controleafdelingen binnen een bedrijf(stak). De uitkom-sten van een audit worden in een rapport vastgelegd. Zie ook Due Dilligence (DD)

Autonome groei
De groei exclusief het effect van valutakoersverschillen en acquisities of verkopen. Per saldo gaat het om de groei van de onderneming waarbij alleen wordt gekeken naar de activiteiten van de onderneming zelf, zonder bijzondere activiteiten (zoals samenwerking of fusie). Dit wordt gemeten in omzet en afzet.

Autoriseren
(begrip uit de overheidssector)
Eén van de taken van de Staten-Generaal is het goedkeuren van de begroting van ieder de-partement. Dit betekent dat zij bepalen hoeveel een minister maximaal kan besteden en aan welke doelen. Zie ook budgetrecht.

Autoriteit Financiële Markten (AFM)
Het toezicht op de financiële markt is in handen van de AFM. De AFM bevordert zorgvuldige financiële dienstverlening aan consumenten en ziet toe op een eerlijke en efficiënte werking van kapitaalmarkten. De toezicht op de financiële prestaties (zoals kredietwaardigheid van de organisatie) zelf is in handen van De Nederlandsche Bank.

Back to back
Een financieringsterm die gebruikt wordt om letterlijk rugdekking te geven. Onder back to back verstaan we een onderneming dat geld leent en dit meteen weer uit onder dezelfde voorwaarden (veelal om fiscale redenen) uitleent. Vaak zal in een holdingconstructie de moe-der rugdekking geven aan de uitvoerende dochter.

Balanced Scorecard (BSC)
Dit instrument wordt gebruikt om de blik van het management integraal te laten zijn op ver-schillende factoren die van belang zijn voor kwaliteitsverbetering of het in control zijn van de organisatie. De term balanced komt van het feit dat verschillende factoren ook verschillend worden gewogen. Gezien de veranderingen van de overheid naar meer prestatiemeting, wordt de filosofie rond de BSC ook hier steeds meer toegepast.

De BSC richt zich op een viertal perspectieven:
1. het klantperspectief;
2. de interne bedrijfsprocessen;
3. het innovatieperspectief (leren en groei);
4. het financieel perspectief.

Balans
Een balans is een staat die op een bepaald moment, in geld, de omvang en de samenstelling van de activa en passiva aangeeft. Dit kan ook worden omschreven als een overzicht (mo-mentopname) van de wijze waarop de onderneming haar geld (bijvoorbeeld eigen vermogen, vreemd vermogen en voorzieningen) heeft verkregen (de passiefzijde of creditzijde) en de bezittingen waarin het geld is geïnvesteerd (de actiefzijde of debetzijde).

– Bedrijfseconomische balans: heeft als doel inzicht te geven in de financiële positie van de onderneming. Dit is de balans volgens de boekhouding van de onderneming.
– Geconsolideerde balans: een balans waarin de posten van de balans van de tot de groep behorende ondernemingen tot één geheel zijn samengevoegd.

Zie ook Dubbelboekhouden, Credit en Debet.

Balanspost
(begrip uit de overheidssector)
Post in de balans van een baten-lastendienst met de activa (bezittingen) en passiva (eigen vermogen en schulden) van de dienst.

Bank for International Settlements (BIS)
Bank voor Internationale Betalingen is opgericht in 1930 met het hoofdkantoor in Bazel. De belangrijkste taken zijn het stimuleren van de samenwerking tussen centrale banken en het assisteren bij internationale betalingen. De BIS geeft tevens aanbevelingen aan banken en toezichthoudende instanties op het gebied van risicobeheer, solvabiliteit en de informatiever-strekking omtrent financiële derivaten.

Basel II
In Basel II (voluit: The New Basel Capital Accord, ofwel het nieuwe Bazelse Kapitaalakkoord) zijn richtlijnen vastgesteld voor het bepalen van de minimale solvabiliteitseisen van banken. De belangrijkste verandering in deze richtlijnen is een nieuwe systematiek voor de weging van de risico’s die banken lopen bij de kredietverlening aan zowel particuliere als zakelijke klanten. Het doel van Basel II is het bevorderen van de financiële gezondheid van de financi-ele sector.

Baten
Alle (geld)bedragen die in de loop van het jaar leiden tot een toename van het eigen ver-mogen. Het gaat hierbij om alle werkelijke opbrengsten (dus alle posten aan de creditzijde) in een winst-en-verliesrekening (in scontrovorm). Baten vormt een begrippenpaar met Lasten.

Baten-lastendienst
(begrip uit de overheidssector)
Een dienstonderdeel van een ministerie met een grotere zelfstandigheid dan andere departe-mentale diensten. Deze grotere zelfstandigheid laat onverlet dat er sprake is van ministeriële verantwoordelijkheid en dat het budgetrecht van de Tweede Kamer van toepassing is. Een baten-lastendienst heeft een afzonderlijke plaats in de begroting en de financiële verantwoor-ding van het moederministerie. Ook voert een baten-lastendienst een eigen administratie, los van de begrotingsadministratie van het moederministerie. De term baten-lastendienst verwijst naar de boekhoudmethode die deze diensten hanteren, het baten-lastenstelsel.

Baten-lastenstelsel (BLS)
(begrip uit de overheidssector)
Ook wel accrual accounting genoemd. Bij een stelsel van baten en lasten worden de op-brengsten en uitgaven voor een geleverde of ontvangen dienst verantwoord (bijvoorbeeld begroting) in het jaar waarin die dienst geleverd of ontvangen is. Dit stelsel gaat uit van een investeringsgedachte en daarmee een onderscheid gemaakt tussen uitgaven (investering) en de kosten (afschrijvingen). Zie begrotingsstelsel.

Batig saldo
(begrip uit de overheidssector)
Het saldo is het verschil tussen de wat men (bijvoorbeeld aan gelden) heeft ontvangen en wat men heeft uitgegeven. Is dit verschil positief dan spreekt men van een `batig saldo`, is het negatief (een tekort) wordt van een `nadelig saldo` gesproken.

BCG-matrix
De BCG-matrix is het bekendste model binnen de portfolio-analyse en is begin jaren zeventig ontwikkeld door de Boston Consulting Group. In de BCG-matrix worden producten of (functi-onele) bedrijfseenheden beoordeeld op een tweetal kenmerken:
1. het relatieve marktaandeel dat het bepaalde product of haar bedrijfseenheid heeft verwor-ven ten opzichte van de grootste speler in de markt.
2. het groeipotentieel van de markt voor dat product of haar bedrijfseenheid.

Op basis van de BCG-matrix kan een product of haar bedrijfseenheid zich in één van de vier volgende categorieën bevinden:
Cash cow: hoog marktaandeel in een stabiele, volwassen markt. Deze opbrengsten die-nen gebruikt te worden om in andere producten te investeren.
Star: een hoog marktaandeel in een groeimarkt. Met gerichte investeringen dient men de voorsprong te behouden tot de markt volwassen wordt en dit een cash cow wordt.
Question mark (ook wel Problem child of Wild cat): een klein marktaandeel in een groei-markt. Het is nog onzeker of dit een star of een dog zal worden.
Dog: kleine marktaandeel in een volwassen markt. Indien het bedrijf geen strategisch be-lang bij dit product heeft, dient zij haar af te stoten.

Bedrijfsdrukte
De mate waarin gebruik gemaakt wordt van de capaciteit (de mensen en middelen) van de organisatie.

Bedrijfsresultaat
Het bedrijfsresultaat kan worden gedefinieerd als de opbrengsten uit de onderneming (omzet) verminderd met de kosten die hiermee samenhangen (bedrijfskosten). In de praktijk worden de termen netto en bruto bedrijfsresultaat door elkaar gebruikt. Zie ook winst-en-verliesrekening voor een samenhang tussen de verschillende begrippen en het verschil tus-sen netto en bruto bedrijfsresultaat.

Bedrijfsvoering
(begrip uit de overheidssector)
Onder de bedrijfsvoering vallen alle processen die ervoor zorgen dat een ministerie kan func-tioneren: het financieel beheer en het materieelbeheer en de processen op het gebied van personeel, informatievoorziening, administratie, communicatie en huisvesting.

Begroting
Raming van voorgenomen uitgaven en verwachte inkom¬sten in de komende periode. Een kaderstellende begroting geeft de grenzen (kaders) aan waarbinnen uitgaven en inkomsten dienen te vallen. Een begroting is een onmisbaar instrument: het is een leidraad voor de be-stedingen en een goed controlemiddel voor iedereen die betrokken is bij planning en beheer. Een begroting kan verschillende functies hebben. Voorbeelden zijn: de budgetteringsfunctie, de financieringsfunctie, de beleidsfunctie, de beheersfunctie, de autorisatiefunctie, de informa-tiefunctie en de vergelijkingsfunctie. Zie ook budget.

De belangrijkste begrotingen zijn:
1. Investeringsbegroting: in deze begroting wordt aangegeven welke duurzame gebruiksgoe-deren (goederen die een zekere waarde vertegenwoordigen en waarvan langer dan één jaar gebruikgemaakt wordt) in het begrotingsjaar worden aangeschaft. De belangrijkste investe-ringen zijn op het gebied van: grond, terreinen, gebouwen, installaties, inventarissen en appa-ratuur.
2. Exploitatiebegroting: in deze begroting zijn alle kosten en opbrengsten opgenomen die in het begrotingsjaar worden verwacht (met uitzondering van de investeringen). Het kan gezien worden als een voorspelling van de winst- en verliesrekening of de resultatenrekening, die aan het einde van het jaar moet worden opgesteld.
3. Liquiditeitsbegroting: in deze begroting wordt aangegeven welke geldopbrengsten in het begrotingsjaar worden verwacht en welke uitgaven zullen plaatsvinden. Deze begroting gaat over de geldstromen (liquiditeiten), die het gevolg zijn van de investerings- en exploitatiebe-groting. Deze begroting is voor niet financiële managers minder van belang.

In de zorgsector is een belangrijk onderscheid tussen de interne (werk)begroting, voor allen die binnen de organisatie belast zijn met (een deel) van het begrotingsbeleid, en de externe begroting, die als informatiedocument dient voor derden.

In de overheidssector wordt veelal gesproken over de staatsrechtelijke (of autorisatie) functie van de begroting (de begroting is de grondslag voor het budgetrecht), de allocatiefunctie, de beheertechnische functie en de controlefunctie.

Begroting gemeente
(begrip uit de overheidssector)
Met de begroting in een gemeente wordt gedoeld op: beleidsbegroting, programmaplan, para-grafen, financiële begroting, overzicht baten en lasten en financiële positie. De begroting van een gemeente bestaat veelal uit een beleidsbegroting (de begroting voor de gemeenteraad) en de beheersbegroting (de begroting voor het ambtelijk management).

Begrotingsstelsel
(begrip uit de overheidssector)
Er zijn drie momenten waarop een transactie tot stand kan komen: 1. bij het tekenen van het contract (aangaan verplichting), 2. de betaling aan de leverancier (uitgave) of 3. het gebruik. Op basis van deze momenten kunnen verschillende begrotingsstelsels worden gehanteerd. Bij de drie verschillende momenten horen resp. de volgende begrotingsstelsels: het verplich-tingenstelsel, het kasstelsel en het baten-lastenstelsel. De Rijksoverheid hanteert een ge-combineerd verplichtingen-kasstelsel (VKS). Gemeenten, Provincies en waterschappen han-teren een begroting op basis van baten-lastenstelsel (BLS).

Begrotingstekort
(begrip uit de overheidssector)
Het verschil tussen uitgaven en ontvangsten.

Beheer van vermogenswaarden
(begrip uit de overheidssector)
Onder het beheer van vermogenswaarden wordt gezien: alle beheerdaden die voortvloeien uit het door de directie vastgestelde beleid en die gevolgen hebben voor de financiële midde-len van de onderneming.

Beheersbegroting
(begrip uit de overheidssector)
Begroting van de gemeente bedoelt voor het ambtelijk management met gedetailleerde infor-matie om de financiën te beheersen.

Bekostiging
(begrip uit de overheidssector)
Een vergoeding aan een organisatie door de overheid (bijvoorbeeld het ministerie aan een school) voor door de organisatie verrichte activiteiten.

Belasting
Verplichte betalingen, zonder dat hier een direct aanwijsbare tegenprestatie tegenover staat, die door de nationale overheid, door de instellingen van de Europese Unie of door buitenland-se overheden worden opgelegd, in verband met (1) de productie van goederen en diensten, het in dienst hebben van arbeidskrachten en de eigendom of het gebruik van grond, gebou-wen of andere activa die in het productieproces worden aangewend, of (2) het inkomen en vermogen van ingezetenen. Door dit recht wordt belasting voor de overheid inkomsten. De belastinginkomsten worden gebruikt om wetten en regelingen uit te voeren (het leveren van producten of diensten).

In de resultatenrekening wordt hiermee bedoeld de vennootschapsbelasting die een onder-neming over de nettowinst moet betalen. Voor zover dit aan het eind van het boekjaar nog niet gebeurd is, staat de post belastingen bij de vlottende passiva op de balans. Op de balans kunnen daarnaast nog andere belastingen, zoals BTW en loonbelasting, staan. In de zorg-sector komen wij gewoonlijk alleen de loonbelasting tegen.

Belegging
Een belegging is het bezit van bijvoorbeeld aandelen. Een belegging wordt niet geconsoli-deerd, hierbij is het niet van belang of dit bezit 1% of 100% van het totale aandelenpakket be-treft. Het gaat bij het consolideren vooral om de intentie dat de onderneming met de andere onderneming, waarin belegd wordt, geen duurzame verbondenheid wordt aangegaan.

Beleidsbegroting
(begrip uit de overheidssector)
De beleidsbegroting van de gemeente is bedoeld voor de gemeenteraad waarin alleen de in-formatie is opgenomen om het keuzeproces van de gemeenteraad te ondersteunen. Zie ook Beheersbegroting.

Beleidscyclus
(begrip uit de overheidssector)
Een (jaarlijkse) cyclus van beleid maken, begroten, afrekenen en verantwoording afleggen.

Beleidsinformatie
(begrip uit de overheidssector)
Beleidsinformatie in het jaarverslag is de informatie die de minister geeft over de gerealiseer-de effecten als gevolg van het gevoerde beleid, de daartoe geleverde prestaties en de daar-mee gemoeide kosten. De beleidsinformatie in het jaarverslag wordt ook wel niet-financiële informatie genoemd.

Belening
Letterlijk: het in onderpand geven. Hierbij worden voor een lening zekerheden gegeven, een onderpand (bijvoorbeeld effecten, voorraden, panden enzovoort).

Benchmarking
Vergelijking van de werkwijze van een bedrijf met de werkwijze van een of meer andere on-dernemingen, die voor een bepaald onderwerp een goede naam hebben of werkzaam zijn in dezelfde branche/werkgebied (z.g. peer-group).

BERAP (BEstuursRAPortage)
(begrip uit de overheidssector)
In de BERAP rapporteert de directie aan zijn bestuur over de voortgang en bedrijfsmatige ontwikkeling van de organisatie. Zie ook MARAP

Besloten vennootschap (BV)
Een ondernemingsvorm waarvan het vermogen van de vennootschap verdeeld is in aande-len. Iedere vennoot, meestal aandeelhouder genoemd, neemt deel voor één of meer aande-len. De aandeelhouders lopen slechts risico voor het deel van het bedrag van hun deelne-ming. In de leiding van de BV wordt voorzien doordat de aandeelhoudersvergadering één of meer directeuren (bestuurders) benoemt. De BV is een rechtspersoon, hetgeen betekent dat hij een juridische zelfstandigheid heeft, met eigen vermogen, losstaand van de personen van de aandeelhouders. In de statuten van de vennootschap worden de spelregels die van toe-passing zijn, beschreven. In tegenstelling tot een Naamloze Vennootschap (NV) worden de aandeelbewijzen niet uitgegeven, maar wordt gebruik gemaakt van een aandelenregister. De aandelen staan op naam en overdracht is beperkt mogelijk. Zie ook Maatschap, Stichting, Vereniging, Vennootschap onder Firma (VOF), Commanditaire vennootschap (CV), Coöpera-tieve Vereniging en Naamloze Vennootschap (NV).

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm) die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken. De juridische structuur is voor de zorgsector van belang i.v.m. de vorming van zorg- en facilitaire BV’s, concernvorming, et cetera.

Bestemmingsreserve
(begrip uit de zorg- en overheidssector)
Een onderdeel van het eigen vermogen. Een bestemmingsreserve wordt omschreven als een reserve waaraan door de Raad van Bestuur of Raad van Toezicht een bepaalde be-stemming (gelabeld) is gegeven. Bestemmingsreserves hebben een expliciet karakter omdat de instelling van dergelijke reserves bewust genomen is. Er ligt dus een een verband tussen de instelling en de opbouw van de bestemmingsreserve. Bij bestemmingsreserve ligt vooraf de aard van de besteding (bestemming) vast.

Bestendigheidbeginsel
In dit beginsel wordt uitgegaan van de gedachte dat de gegevens uit de balans en de winst-en-verliesrekening in de loop van de jaren met elkaar vergeleken kunnen worden. Daarom hoort een onderneming voor waardering en winstbepaling van jaar op jaar zo veel mogelijk dezelfde grondslagen toe te passen.

Bij het opmaken van een balans en een winst-en-verliesrekening dient de onderneming reke-ning te houden met de volgende vijf beginsels: realisatiebeginsel,matchingbeginsel, continuï-teitsbeginsel, voorzichtigheidsbeginsel en bestendigheidbeginsel.

Bestuursverslag (directieverslag)
Verslag van het bestuur (de directie) over het afgelopen verslagjaar en zijn verwachtingen ten aanzien van de toekomst. Aan dit verslag worden in de wetgeving op de jaarrekening ei-sen gesteld zoals de verwachtingen ten aanzien van de investeringen, financiering en de personeelsbezetting.

Beurswaarde (van een aandeel)
De beurswaarde is gelijk aan de beurskoers.

Beurswaarde (van een onderneming)
Waarde van een onderneming op basis van de beurskoers van het aandeel. De totale beurswaarde van de onderneming is gelijk aan het aantal geplaatste aandelen maal de beurswaarde van één aandeel.

Bezettingsverschil
Door te werken met begrote kosten en productie, waardoor niet maandelijks een andere tarief of kostprijs ontstaat, kan er een verschil optreden tussen de werkelijke kosten of productie en de ingeschatte begroting. Een van deze verschillen is het bezettingsverschil. De vaste kosten worden vooraf omgeslagen over het te verwachte volume. Als dit volume afwijkt (posi-tief of negatief) ontstaat een overbezetting of onderbezetting: een bezettingsverschil.

Bezwaar
(begrip uit de overheidssector)
De Algemene Rekenkamer kan bezwaar maken wanneer een minister in strijd met de regels geld heeft uitgegeven of (niet) heeft ontvangen. De bezwaarprocedure is bedoeld als signaal dat maatregelen dringend nodig zijn. De bezwaarprocedure is wettelijk geregeld in de artike-len 88 en 89 van de Comptabiliteitswet 2001.

Bezwaaronderzoek
(begrip uit de overheidssector)
Voordat de Algemene Rekenkamer besluit om bezwaar te maken, doet zij nader onderzoek naar het betreffende probleem. Dergelijk onderzoek heet een bezwaaronderzoek. De bevin-dingen uit dit onderzoek dienen als mogelijke onderbouwing van het bezwaar. Op grond van de resultaten van dit onderzoek neemt de Algemene Rekenkamer een besluit over het al
dan niet maken van bezwaar.

Bijdragebenadering
De bijdrage van een product in het proces of de winst/het rendement van een onderneming is (als formule) gelijk aan de omzet minus de variabele kosten. Als wordt uitgegaan van gelijk-blijvende (proportioneel) variabele kosten en verkoopprijzen, zal ook deze bijdrage constant zijn. Deze bijdrage is dan beschikbaar voor de dekking van de vaste kosten. Als er voldoen-de bijdrage is om de vaste kosten te dekken, is het break-evenpunt bereikt.

Bijzondere baten en lasten
Opbrengsten en kosten die niet uit de normale ondernemingsactiviteiten voortkomen. Vaak hebben deze baten of lasten een incidenteel karakter zoals de verkoop van een bedrijfspand.

BIS-ratio
De BIS-ratio (Bank of International Settlements) geeft een indicatie van de solvabiliteit van een bank. Het geeft de verhouding weer tussen het risicodragend vermogen en de naar risico gewogen activa. Gemeten wordt hoe groot het garantievermogen van een bank is ten opzich-te van de totale kredietverlening. Hoe hoger de ratio, hoe gezonder de bank. Volgens de BIS moet de totaal vermogen ratio minimaal 8 zijn en de kernvermogen ratio minimaal 4.

Boekhouden
Het systematisch vastleggen en rubriceren van financiële gegevens.

Boekjaar
Rekenperiode van twaalf maanden, die meestal samenvalt met het kalenderjaar. Als deze pe-riode niet samenvalt, wordt gesproken over een gebroken boekjaar.

Boekwaarde
Waarde van een productiemiddel, zoals dat blijkt uit de balans. De boekwaarde wordt bepaald door de aanschafprijs minus de afschrijvingen (tot dan toe).

Borgtocht
Voorwaardelijke verplichtingen uit hoofde van borgtocht voor schulden van anderen. Staat gewoonlijk niet op de balans van een onderneming, maar moet in de toelichting worden ver-meld.

Break-evenomzet
Het omzetniveau waarop de onderneming een nulresultaat zou behalen, oftewel de kosten volledig gedekt zijn. Bij de berekening hiervan wordt gebruik gemaakt van de contributiemarge. Dit is het percentage van de omzet dat resteert na aftrek van de totale variabele kosten, en dient ter dekking van de vaste kosten.

Formule: variabele kosten
Contributiemarge = 1 -/-

omzet

Formule: vaste kosten
Break-even om-zet =

contributiemarge

Break-evenpunt
De productieomvang waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten.

Bruto toegevoegde waarde
Omzet van de onderneming verminderd met de kosten van grond- en hulpstoffen, van dien-sten van derden en overige bedrijfskosten (exclusief afschrijvingen, lonen, salarissen, sociale lasten en interestkosten). Zie ook Toegevoegde waarde.

Brutomarge
Ook wel marge, bruto winst, brutowinstmarge of bruto-omzetresultaat genoemd. De bruto-marge is het bedrag dat van de omzet resteert na aftrek van de kosten die direct aan deze omzet gerelateerd zijn (cost of goods sold; COGS, ook wel kostprijs van de omzet ge-noemd). Voorbeelden zijn inkoop grondstoffen of productiekosten. Dit bedrag kan ook in een percentage worden uitgedrukt door dit bedrag te delen door de omzet.

Formule: Brutomarge bedrag (omzet -/- COGS)
Brutomarge % = x 100%

Omzet

Formule:
Brutomarge = omzet minus de kosten van de omzet (COGS).

Brutowerkkapitaal
Het brutowerkkapitaal is gelijk aan de vlottende activa. Zie ook Werkkapitaal.

Brutowinst
Winst vóór aftrek van de vennootschapsbelasting. In sommige gevallen wordt de term ook voor brutomarge (omzet minus kosten direct aan deze omzet gerelateerd)

Brutowinstmarge
Zie Brutomarge.

Budget
Een budget is een begroting met een taakstellend karakter. Bij een budget worden afspraken gemaakt over de kosten en opbrengsten. Terwijl in de begroting de verwachte kosten en op-brengsten worden weergegeven. Zie ook Begroting.

In de zorgsector wordt onderscheid gemaakt tussen:
” Extern budget.
” Intern budget.
Onder extern budget wordt verstaan het budget waarvan de omvang door externen (in dit geval verzekeraars, maar soms ook ministeries en gemeenten) wordt bepaald aan de hand van parameters die per sector verschillen. Indien wordt gesproken van een intern budget dan wordt een budget van een dienst, afdeling, sector en dergelijke bedoeld. Dit is een deelbudget van het totale budget. De verdeling wordt gemaakt door het management (directie, manage-mentteam).

Budgetcontrol
Een periodieke rapportage en verantwoording van de werkelijke bedrijfsresultaten vergeleken met gebudgetteerde resultaten.

Budgethouder
Degene die verantwoordelijk is voor het budget.

Budgetmechanisme
Het voortbrengen van producten en diensten kan plaatsvinden in de marktsector en publieke sector. Bij het budgetmechanisme neemt een collectief van (politieke) beslissers namens (groepen van)aanbieders en vragers besluiten over bekostiging, voortbrenging en verdeling van goederen en diensten. Zie ook marktmechanisme.

Budgetrecht
(begrip uit de overheidssector)
Het recht van het parlement of de gemeenteraad om een begroting goed te keuren, te wijzigen of te verwerpen.

Budgetresultaat
Het budgetresultaat kan worden gedefinieerd als de kosten die vooraf zijn gecalculeerd minus de werkelijk gemaakte kosten. Het externe budgetresultaat wordt gebruikt in de financial ac-counting (zie externe verslaglegging). Als het budgetresultaat vooral een intern proces is om de processen te verbeteren en te kijken naar efficiency behoort het tot de management ac-counting (zie interne verslaglegging).

Budgettair Kader Zorg (BKZ)
(begrip uit de zorgsector)
Het ministerie van VWS bakent de zorgkosten af in termen van ministeriële verantwoordelijk-heid. Centraal daarin staan begrotingsgefinancierde uitgaven, bijvoorbeeld op het terrein van de programmatische preventie, en het Budgettair Kader Zorg (BKZ) dat vooral de premiegefi-nancierde zorg omvat. Daarbuiten vallen bijvoorbeeld de kosten van gemeentelijke gezond-heidsdiensten, arbo-diensten en praktijken voor alternatieve gezondheidszorg. Wanneer in beleidsdocumenten over zorguitgaven wordt gesproken, wordt vrijwel altijd het BKZ bedoeld. Het gaat dan in hoofdlijnen om de Zorgverzekeringswet en de AWBZ. Aanvullende verzeke-ringen worden niet tot het BKZ gerekend, evenmin als andere inkomsten van zorgaanbieders. In samenhang met beleidsmatige en politieke achtergrond kan de definitie van het BKZ van jaar op jaar in meer of mindere mate verschillen. Voor analyses van de kostenontwikkeling is het BKZ daarom minder geschikt.

Budgettering
(begrip uit de overheidssector)
Een iteratief proces waarbij de activiteiten en daarmee samenhangende middelen voor een specifieke periode in kwantitatieve, meest financiële grootheden worden vastgesteld. Bij for-mele-budgettering wordt gebruik gemaakt van een geheel aan spelregels. Inputbudgettering betekent dat gewerkt wordt met inputfactoren (b.v. beschikbaar gestelde middelen). Bij pro-cesbudgettering wordt rekening gehouden met een bepaalde verhouding tussen middelen en taakstelling of processen. Als de omvang (en kwaliteit) van geleverde producten of diensten duidelijk is wordt gebruik gemaakt van outputbudgettering.

Buitengewone baten en lasten
Zie bijzondere baten en lasten.

Buy-out
Een buy-out is een overname waarbij (een gedeelte van) een onderneming verzelfstandigd wordt. De buy-out wordt aangeduid met de partij die overneemt. Als de overnemende partij het management of het bestuur is, wordt dit management buy-out (MBO) genoemd. Dit kan ook het personeel (employees buy-out of EBO), een combinatie (management employees buy-out of MEBO) of investeerders (investors buy-out of IBO) zijn. De meeste MBO’s zijn aandelentransacties. Een andere vorm is een activa-passiva-overdracht. Dit is echter vaak lastiger omdat er derden (contractpartijen) bij betrokken zijn, maar ook omdat elk afzonderlijk object van de onderneming overgedragen moet worden.

Capital Asset Pricing Model (CAPM)
Het CAPM is een model voor het waarderen van aandelen, effecten, derivaten en/of activa door risico en verwachte opbrengsten met elkaar in verband te brengen. Kern van dit model is het gedrag van investeerders in kaart te brengen. Zij eisen meer rendement als er meer ri-sico verwacht wordt.

Capital expenditure (CAPEX)
De CAPEX-uitgaven zijn (kapitaals)investeringen. In veel organisaties wordt de term CAPEX ook gebruikt om investeringsaanvragen aan te duiden. Zie ook OPEX.

Caresector
(begrip uit de zorgsector)
Gezondheidszorg die gericht is op langdurige verpleging, voorkomen van beperkingen en complicaties van ziekte en op ondersteuning bij de kwaliteit van leven. Deze zorg wordt ook verleend door eerstelijns instellingen maar zodra de zorgbehoefte toeneemt, volgt vaak ver-blijf in een (tweedelijns) zorginstelling. Zie ook Curesector en Preventie sector.

Cash cover ratio
Deze ratio wordt door financierders veel gebruikt om het risico en rendement van een onder-neming in kaart te brengen. Als deze ratio groter is dan 1, is de vrije kasstroom van de orga-nisatie voldoende om de rentelasten van de schulden alsmede de aflossing van het vreemd vermogen te betalen. Daarmee verkrijgt de financierder een bepaalde mate van zekerheid dat de onderneming zijn verplichtingen kan nakomen.

Formule: Vrije cashflow
Cash cover ratio =

Interest plus aflossing

Cashflow
De cashflow, kasstroom, geeft aan welke inkomsten en uitgaven een onderneming in enige periode heeft. De kasstroom is te berekenen door het resultaat van de winst-en-verliesrekening te nemen en dit bedrag te corrigeren voor kosten die geen uitgaven zijn als-mede uitgaven die geen kosten zijn (volledige besteding). De cashflow is dus de nettowinst plus afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen. Zie ook kasstroom.

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
(begrip uit de zorgsector)
Het CIZ beoordeelt of er een recht bestaat op de zorg via de AWBZ (Algemene Wet Bijzonde-re Ziektekosten). Het CIZ is door de overheid aangewezen als poortwachter van publiek ge-financierde zorg. Het CIZ geeft zelf indicaties af en toetst de vervolgindicaties van zorgaan-bieders. Zie ook CVZ, NZa en WMG.

Certificaten (van aandelen)
Aandeelbewijzen zonder stemrecht.

Chargeback
Met chargeback worden verschillende activiteiten bedoeld. Letterlijk: terugbetaling of doorbe-lasting. Binnen de consumentenhandel kan met chargeback worden aangeduid dat een klant goederen ontvangt en die naar de leverancier terugstuurt omdat het niet aan de verwachtin-gen voldoet. Daarmee wordt dit proces voor de leverancier erg belangrijk omdat het niet al-leen gaat om klantentevredenheid. Het kan ook een vorm van fraude zijn (bijvoorbeeld als hij onterecht reclameert dat hij het product niet heeft ontvangen) ). Het chargeback systeem zal daarom expliciet beschreven moeten worden. Chargeback wordt ook gebruikt voor het in re-kening brengen van de kosten van centrale diensten. Zij leveren producten of diensten en daarvoor dient een bepaald bedrag (fee) voor betaald te worden. Een belangrijk aspect in dit proces is het definiëren van de taken en de daaraan gerelateerde kosten (b.v. maximaal 90% charge back).

Checks and balances
Het oorspronkelijke begrip checks and balances verwijst naar het machtsevenwicht dat de grondleggers van het Amerikaanse staatsbestel voor ogen hadden, waarbij de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht gescheiden zijn. Controlemechanismen (checks) moeten de balans tussen de belangen van de machten (balances) waarborgen. In de medezeggenschapspraktijk wordt dit begrip vaak vertaald naar het principe dat een on-derneming rekening houdt met de diverse stakeholders; het zoeken naar evenwicht in de verschillende belangen.

Churn
Met churn wordt het weglopen van klanten naar een andere leverancier of aanbieder aange-duid. Met het percentage churn wordt veelal bedoeld het aantal weggelopen klanten gecorri-geerd voor het aantal nieuwe klanten.

Claim
Recht dat aandeelhouders, via daartoe aangewezen dividendbewijs, in staat stelt in te schrij-ven op een emissie van nieuwe aandelen in dezelfde onderneming. Vertegenwoordigt een bepaalde waarde en kan ter beurze worden verhandeld.

Collectief gefinancierd gebonden vermogen
(begrip uit de zorgsector)
De indeling van de reserves in collectief gefinancierd en niet-collectief gefinancierd is gebaseerd op de bronnen waaruit het vermogen afkomstig is (al dan niet met collectieve middelen gefinancierde activiteiten). De splitsing van het eigen vermogen vloeit voort uit de wens van de Minister van VWS om inzicht te houden in de bestemming van de collectieve middelen. Onder het collectief gefinancierd gebonden vermogen worden alle reserves opgenomen, waarvan de resultaten zijn ontstaan uit een bekostigingsbron inzake subsidie-, zorggebonden of collectief gefinancierde activiteiten. Het kan op grond van de regelgeving in de zorgsector slechts worden besteed aan de zorgactiviteiten en is daarmee nog-niet-voor-de-zorg-besteed-middel. Het vermogen kan worden verdeeld in de reserve aanvaardbare kosten, bestemmingsfondsen en bestemmingsreserves. Zie ook Niet-collectief gefinancierd vrij vermogen en Reserve aanvaardbare kosten (RAK).

Collectieve lastendruk
(begrip uit de overheidssector)
Norm waarbij de totale belasting- en sociale premieontvangsten worden uitgedrukt als per-centage van het nationaal inkomen.

College Tarieven Gezondheidszorg (CTG)
(begrip uit de zorgsector)
Zie NZa en WMG.

College toezicht zorgverzekeringen (CTZ)
(begrip uit de zorgsector)
Zie NZa en WMG.

College voor zorgverzekeringen (CVZ)
(begrip uit de zorgsector)
Het werkterrein van het CVZ is de Zorgverzekeringswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Tot het takenpakket van het CVZ behoren: het verdelen van premie-geld onder de zorgverzekeraars (risicoverevening), het uitvoeren van voorzieningen en re-gelingen voor bijzondere groepen (bijvoorbeeld mensen in het buitenland) en het adviseren over de samenstelling van het basispakket. Zie ook CIZ, NZa en WMG.

Commanditaire vennootschap (CV)
Een ondernemingsvorm waarbij twee of meer personen gezamenlijk een onderneming heb-ben: de commanditaire vennootschap. In deze vennootschap zijn soorten twee vennoten (ook wel eigenaren of aandeelhouders genoemd): beherende en commanditaire (stille) ven-noten. De stille vennoten verstrekken meestal eigen vermogen aan de onderneming. Deze stille vennoten zijn beperkt aansprakelijk omdat ze de onderneming niet uitoefenen. De behe-rende vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel van de vennootschapsschulden, ook met hun privé-vermogen. Zie ook Maatschap, Stichting, Vereniging, Vennootschap onder Firma (VOF), Coöperatieve Vereniging, Besloten Vennootschap (BV) en Naamloze Vennoot-schap (NV).

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm) die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken. De juridische structuur is voor de zorgsector van belang i.v.m. de vorming van zorg- en facilitaire BV’s, concernvorming, et cetera.

Commissie-Peters
Naast de structuurregeling is in het verleden de commissie-Peters (1997) bezig geweest met aanbevelingen voor goed bestuur (Governance in Nederland: de veertig aanbevelingen). Omdat de aanbevelingen te vrijblijvend waren en de aandeelhouderspositie nauwelijks verbe-terde, is door de commissie-Tabaksblat (2003) een code voor goed ondernemingsbestuur (corporate governance) opgesteld. De aanbevelingen van de commissie-Peters zijn daarbij meer geconcretiseerd. Zie ook de Structuurwet en code-Tabaksblat.

Complementaire kosten
Bijkomende kosten die verband houden met het gebruik van een duurzaam productiemiddel, met uitzondering van afschrijvings- en vermogenskosten.

Comply or explain
(begrip uit de overheidssector, ook gebruikt in andere sectoren)
Letterlijk: pas toe of leg uit. In het jaarverslag moet de minister per operationele doelstelling in-formatie opnemen over de realisatie van de doelen, de geleverde prestaties en de uitgegeven middelen (comply). Sinds 2005 mag de minister afzien van het opnemen van concrete be-leidsinformatie in zijn jaarverslag. Hij moet dan wel uitleggen waarom hij het niet zinvol of rele-vant acht om die informatie op te nemen (explain).

Compound annual growth rate (CAGR)
De compound annual growth rate is het gemiddelde jaarlijkse groeipercentage van een inves-tering over een gespecificeerde tijdsperiode. De formule is nuttig om te evalueren hoe diverse investeringen in de tijd hebben gepresteerd. De formule houdt echter geen rekening met de verschillen in de investeringsresultaten gedurende de tijd. Er wordt dus uitgegaan van een groei met een gemiddeld percentage. Daarnaast is het een historisch gegeven hetgeen geen garanties biedt voor de toekomst.

Comptabiliteitsvoorschrift
(begrip uit de overheidssector)
Voorschriften voor decentrale overheden op het terrein van financial accounting op basis waarvan belangstellenden en/of belanghebbenden zich een verantwoord oordeel kunnen vormen over baten en lasten en de financiële positie van een decentrale overheid. De voor-schriften hebben betrekking op de begroting, meerjarenraming, jaarrekening en de toelichting op deze stukken. De comptabiliteitsvoorschriften vinden hun grondslag in de Provinciewet en de Gemeentewet.

Comptabiliteitswet
(begrip uit de overheidssector)
De Comptabiliteitswet 2001 geeft regels voor de financiën van de Rijksoverheid. De wet (Wet van 13 juli 2002 tot vaststelling van de Wet inzake het beheer van de financiën van het Rijk) bevat voorschriften voor de rijksbegroting, het jaarverslag en het financieel beheer van de centrale overheid. Verder heeft de wet betrekking op de interne controle door de departemen-tale auditdiensten, op de externe controle door de Algemene Rekenkamer en op de coördine-rende en toezichthoudende positie van de Minister van Financiën.

Concernfinancieringsregeling (CFM)
De concernfinancieringsregeling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, bood de mo-gelijkheid een reserve te vormen voor de specifieke risico’s die zijn verbonden aan internatio-naal opereren van in Nederland gevestigde ondernemingen. Omdat de concernfinancierings-regeling in Europees verband is aangemerkt als schadelijke belastingconcurrentie en door de Europese Commissie is aangemerkt als verboden staatssteun, is deze regeling afgeschaft. Daarvoor in de plaats is een vergelijkbare fiscale regeling gekomen: Wet werken aan winst (2006).

Consolidatie van deelnemingen
Consolidatie is het samenvoegen van financiële gegevens. Deelnemingen waarbij de overwe-gende zeggenschap rechtstreeks kan worden uitgeoefend, worden geconsolideerd met de moedermaatschappij.

Contante waarde
Bij de contante waarde wordt rekening gehouden met de tijdswaarde van geld. Het bedrag dat op dit moment moet worden uitgezet, tegen x% rente, om over een aantal jaren een bepaald bedrag te hebben.

Contingency plan
Ook wel: bedrijfscontinuïteitsplan (BCP). Een contingency plan beschrijft hoe de organisatie reageert op onverwachte voorvallen. Met een reeks voorzorgen en procedures die garande-ren dat de organisatie de kernactiviteiten kan behouden of zo snel mogelijk kan opstarten. Aan het BCP gaat een Business impact analyse (BIA) vooraf. In de BIA staat de analyse van alle bedrijfskritische functies en het effect dat een specifiek voorval erop kan hebben. Veel organisaties beperken zich bij de analyse en het opstellen van een plan tot de financiële con-tinuïteit. Het genereren van een gezonde geldstroom, de kosten te drukken en een stabiele investeringsniveau. Aan de andere kant is de basis van een financieel gezonde organisatie de onderliggende activiteiten. Daarom zal ook gekeken moeten worden naar andere aspec-ten dan alleen financieel. In veel organisaties wordt met het contingengy plan de aangepaste jaarplannen inclusief een scenario analyse bedoeld.

Continuïteitsbeginsel
In dit beginsel wordt uitgegaan van de algemene gedachte dat bij waardering van activa en passiva en de bepaling van het resultaat de activiteiten waarvoor deze dienen, worden voort-gezet (‘going concern’-gedachte). Toepassing van dit beginsel betekent bijvoorbeeld dat de voorraad gewaardeerd moet worden tegen de aanschaffingsprijs verminderd met hierop ver-richte afschrijvingen en niet tegen de vermoedelijke opbrengst bij liquidatieverkoop van de voorraad. Zie Jaarrekening.

Controller (financieel)
Functionaris die binnen de onderneming verantwoordelijk is voor het opstellen van begrotin-gen, de registratie van financiële gegevens, het rapporteren (o.a. balans en winst-en-verliesrekening) en de analyse en beoordeling van de gerealiseerde resultaten.

Convenant
Een ondernemingsovereenkomst. Het in een contract vastleggen van afspraken tussen ver-schillende partijen.

Conversiekoers
De koers waartegen obligaties ingewisseld kunnen worden tegen aandelen.

Converteerbare obligatie
Obligatie waaraan het recht is verbonden om tegen vooraf bepaalde voorwaarden en tot een vooraf bepaalde datum over te gaan tot omwisseling in aandelen

Coöperatieve vereniging
Een onderneming in de vorm van een vereniging die zich ten doel stelt in een bepaalde stoffe-lijke behoefte van haar leden te voorzien. Dit wordt vormgegeven door een onderneming uit te oefenen en in het kader daarvan overeenkomsten met zijn leden te sluiten. De leiding van de vereniging berust bij de ledenvergadering. Deze benoemt een bestuur, desgewenst met een raad van commissarissen. De coöperatie is een rechtspersoon, hetgeen betekent dat hij een juridische zelfstandigheid heeft. Inschrijving in het Handelsregister is verplicht. Zie ook Maat-schap, Stichting, Vereniging, Vennootschap onder Firma (VOF), Commanditaire vennoot-schap (CV), Besloten Vennootschap (BV) en Naamloze Vennootschap (NV).

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm) die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken. De juridische structuur is voor de zorgsector van belang i.v.m. de vorming van zorg- en facilitaire BV’s, concernvorming, et cetera.

Corporate finance
Activiteiten op het gebied van fusies, overnames, privatiseringen, adviesdiensten en emis-sies.

Corporate governance
Activiteiten gericht op het bestuur, het toezicht en de verantwoording van een onderneming. Vennootschappen die onder het Nederlandse structuurregime vallen moeten een bestuurs-model hebben, dat bestaat uit twee onderling onafhankelijke organen: een raad van commis-sarissen en een raad van bestuur. Zie ook Code Tabaksblat.

COSO Raamwerk
Een algemeen aanvaard raamwerk bij interne risicobeheersing. Dit zogenaamde ‘Enterprise Risk Management Framework’ is afkomstig van ‘The Committee of Sponsoring Organizations of the Tread way Commission (COSO)’.

Cost accounting
Dit vakgebied houdt zich bezig met het toerekenen van kosten aan kostendragers en kos-tenplaatsen. Cost accounting is nodig voor de externe rapportage en interne winstbepaling en daarmee sa¬menhangend als bruikbare informatie voor managementbeslissingen.

Twee belangrijke doelstellingen van cost accounting zijn:
1. informatie over de kostprijs van producten of diensten nodig voor de externe rapportage (bijvoorbeeld voorraadwaardering) en;
2. kostprijsinformatie om beslissingen te nemen (bijvoorbeeld het wel of niet handhaven van een product of dienst in het assortiment).

Creatief boekhouden
Het toepassen van steeds verschillende berekeningsmethoden om de resultaten van de onderneming te beïnvloeden.

Credit
Alle rekeningen in een boekhouding kennen een debet- en creditzijde, zie Dubbel boekhou-den. De balans biedt een overzicht van de bezittingen (of bedrijfsmiddelen) en de wijze waarop deze middelen zijn gefinancierd. De balans is in twee kolommen (scontrovorm) verdeeld. Aan de linkerkant staan alle bedrijfsmiddelen (in geld uitgedrukt) genoemd. Dit wordt de acti-vazijde of debet genoemd. Aan de rechterzijde worden alle schulden, voorzieningen en het eigen vermogen (in geld) genoemd. Dit wordt de passivazijde of credit genoemd. Credit be-perkt zich niet alleen balansrekeningen. Zie ook Dubbel boekhouden, Balans en Debet.

Crediteuren
Schuldeisers. In ruime zin alle verplichtingen. In enge zin betekent het dat gekeken wordt naar de herkomst van de schulden (crediteuren). Veelal worden dan alleen de schulden aan leveranciers bedoeld (ook wel handelscrediteuren). Zo worden in enge zin bijvoorbeeld schulden aan bank, belasting en personeel niet tot de crediteuren gerekend.

Cumulatief preferente aandelen
Aandelen die recht geven op een jaarlijks vast dividend. Bij de verdeling van de winst gaan deze aandelen voor op de gewone aandelen. Indien de winst in een bepaald jaar niet toereikend is om het preferente dividend uit te keren, wordt het onbetaalde dividend doorgescho-ven naar volgende jaren, totdat het volledige bedrag is betaald.

Curesector
(begrip uit de zorgsector)
Gezondheidszorg die gericht is op onderzoek en behandeling om iemand te genezen. Zie-kenhuizen en een deel van de eerstelijns behoren tot deze sector. Zie ook Caresector en Preventie sector.

Current ratio
De verhouding tussen de activa die op korte termijn in geld zijn om te zetten en de verplich-tingen die op korte termijn moeten worden voldaan. De current ratio wordt ook wel liquiditeits-verhouding genoemd en is daarmee een maatstaf van liquiditeit op korte termijn, zoals ook de quick ratio. In de formule worden voor de kortlopende schulden ook wel vlottende passiva gebruikt.

Formule: vlottende activa
Current ratio =

kortlopende schulden

Days Sales Outstanding (DSO)
Dit kengetal wordt ook wel klantenkrediet genoemd. Zie Debiteurentermijn.

Debet
Alle rekeningen in een boekhouding kennen een debet- en creditzijde, zie Dubbel boekhou-den. De balans biedt een overzicht van de bezittingen (of bedrijfsmiddelen) en de wijze waar-op deze middelen zijn gefinancierd. De balans is in twee kolommen (scontrovorm) verdeeld. Aan de linkerkant staan alle bedrijfsmiddelen (in geld uitgedrukt) genoemd. Dit wordt de acti-vazijde of debet genoemd. Aan de rechterzijde worden alle schulden, voorzieningen en het eigen vermogen (in geld) genoemd. Dit wordt de passivazijde of credit genoemd. Zie ook Dubbel boekhouden, Balans en Credit.

Debiteuren
Afnemers die op kredietbasis goederen of diensten geleverd krijgt en dientengevolge op een later tijdstip betalen. Daarmee zijn het vorderingen op korte termijn.

Debiteurentermijn
Dit kengetal geeft een indicatie van het betaalgedrag van de klanten. Uitstaande debiteuren (en daarmee het uitstaande bedrag) dienen door de onderneming zelf gefinancierd te worden. Als de verkoop van producten of diensten sterk seizoensgebonden is, kan de uitkomst van dit kengetal een vertekend beeld geven. Vaak wordt als norm een termijn van 30 tot 60 dagen gehanteerd. Hoe langer de vordering blijft open staan, hoe groter het risico is dat de vordering oninbaar is (z.g. dubieuze debiteur).

Formule: vorderingen
Debiteurentermijn = x 365 dagen
omzet

Debt ratio
Kengetal om de solvabiliteit van een onderneming te kunnen beoordelen. Het getal geeft aan in hoeverre de totale activa van een onderneming zijn gefinancierd met geleend geld ofwel vreemd vermogen.

Formule: vreemd vermogen
Debt ratio =

totale vermogen

Debt/equity-ratio (D/E ratio)
Dit is de Angelsaksische benadering van de solvabiliteit. Hierbij wordt de D (debt, schulden), in relatie gebracht met de E (equity, eigen vermogen). Een solvabiliteit van 25% komt overeen met een D/E-ratio van 3 (75/25). Zie ook solvabiliteit.

Formule: debt schulden

D/E ratio =
=
equity eigen vermogen

Decharge
(begrip uit de overheidssector)
Goedkeuring door de Staten-Generaal van de begrotingsuitvoering van de minister. Na Ver-antwoordingsdag keuren de Staten-Generaal de slotwetten goed. Daarmee verlenen ze de-charge aan de ministers: ze worden ontheven van hun verantwoordelijkheid voor het gevoer-de beleid en de daaraan verbonden financiële consequenties, waarover ze zich in de jaarver-slagen hebben verantwoord.

Deelneming
Het bezit van een aandelenpakket door een onderneming in een andere onderneming, met het oogmerk, de intentie, in deze andere onderneming invloed uit te oefenen op het beleid of-tewel een duurzame verbondenheid op te bouwen. De deelneming is dus gebaseerd op het bezit van aandelen. Het consolideren van deelnemingen is afhankelijk van de zeggenschap in de andere onderneming. Voorbeeld: als iemand 99% van de aandelen heeft maar iemand an-ders heeft het voor het zeggen, dan moet degene die 1% deelneming heeft, de deelneming consolideren.

Defensive interval (in weken)
Dit kengetal geeft aan hoeveel weken een onderneming kan doorgaan zonder bedrijfsactivi-teiten, zonder in liquiditeitsproblemen te geraken.

Formule: vlottende activa -/- voorraden
Defensive interval = x 52

bedrijfskosten -/- overige opbrengsten -/-
afschrijvingen -/- financiële baten en lasten

Dekking rentelasten
De dekking van de rentelasten geeft een andere dimensie weer in de vraag rond de solvabili-teit. De belangrijkste vraag die met dit kengetal wordt beantwoord is of de onderneming vol-doende resultaat genereert, zodat zij, ook bij tegenslagen, in ieder geval de rentelasten van de schulden kan betalen.

Formule: resultaat (voor belasting) + rente
Dekking rentelasten =

rentelasten op schulden

Dekkingsbijdrage
De dekkingsbijdrage is beschikbaar om de vaste kosten te dekken. In formulevorm: de ver-kochte hoeveelheid vermenigvuldigd met (verkoopprijs minus standaard variabele kosten ).

Dekkingsgraad
Opbrengsten gedeeld door de kosten. De dekkingsgraad geeft aan in welke mate de kosten (totale kosten of de kosten specifiek voor een bepaald taakbestand) worden gedekt door de opbrengsten van de organisatie.

Deponeren jaarrekening
Een aantal ondernemingen moet ieder boekjaar een financieel verslag deponeren bij de Ka-mer van Koophandel (KvK). Deze publicatieplicht is vastgelegd in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het moet ervoor zorgen dat de financiële informatie beschikbaar is voor ie-dereen die daarin geïnteresseerd is. Het gaat hierbij om de volgende ondernemingen: beslo-ten vennootschap (ook zonder activiteiten), naamloze vennootschap (ook zonder activitei-ten), coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, banken, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap wanneer alle beherende vennoten buitenlandse kapitaalvenno-ten zijn, buitenlandse rechtspersoon met vestigingen in Nederland, formele buitenlandse ven-nootschap, vereniging en stichting met ondernemingsactiviteiten en een netto-omzet van ten minste €4,4 miljoen in twee opeenvolgende boekjaren.

De volgende ondernemingen hoeven geen jaarrekening te deponeren: eenmanszaak, ven-nootschap onder firma en commanditaire vennootschap, vereniging en stichting zonder on-dernemingsactiviteiten of met ondernemingsactiviteiten die minder dan €4,4 miljoen netto-omzet voortbrengen, maatschap en overheidslichamen, dochtermaatschappij waarbij de moedermaatschappij consolideert.

Er moet, in dit laatste geval, een instemmingsverklaring en een aansprakelijkheidsverklaring aanwezig zijn bij de dochtermaatschappij in plaats van een jaarrekening. De groepsjaarreke-ning moet gedeponeerd worden door de moedermaatschappij.

Er is niet gekeken naar buitenlandse rechtspersonen. Zie ook Tijdstip van deponeren jaarre-kening

Deposito
Bedrag dat voor zekere tijd aan een bank is toevertrouwd.

Depreciatie
Waardevermindering van een geldsoort ten opzichte van buitenlandse geldsoorten.

Derivaten
Derivaten zijn afgeleide financiële instrumenten/producten, al dan niet op beurzen verhandel-baar, waarvan de waarde afhankelijk is van de waarde van andere (veelal financiële) pro-ducten (zoals aandelen, rente, valuta’s maar ook olie, goud).

Er zijn twee soorten derivaten: termijncontracten (gewone termijncontracten, futures, valuta-swaps, renteswaps, enzovoort) en opties (putopties, callopties, renteopties, enzovoort). Alle derivaten hebben met elkaar gemeen dat het per definitie contracten zijn met een voorwaar-delijk element. Het doel van deze financiële instrumenten is het verkleinen van de risico’s als gevolg van hevige schommelingen van onder meer aandelenkoersen, rentestanden en wis-selkoersen.

Desinvestering
Ondernemingen kunnen naast investeren, ook desinvesteren. Dat wil zeggen dat ze zich van (vaste) activa ontdoen omdat ze bijvoorbeeld het eind van de economische levensduur heb-ben bereikt en niet meer rendabel kunnen worden gebruikt. Deze activa worden (vaak) inge-ruild voor nieuwe activa en verkocht voor een relatief klein bedrag (de restwaarde) of wegge-gooid. In principe gaat het hierbij dus om het buiten gebruik stellen van een activa zoals een duurzame productiemiddel. Deze desinvestering kan ook de verkoop of sluiting van een be-drijf(sonderdeel) omvatten. Vaak is dit het gevolg van strategische herpositionering, maar kan ook afgedwongen zijn om de financiële positie van een onderneming te verbeteren. Desinves-teringen zijn meestal terug te vinden bij de buitengewone baten en lasten.

Diagnose Behandel Combinatie (DBC)
(begrip uit de zorgsector)
Vanaf 1 januari 2005 krijgen ziekenhuizen steeds meer betaald o.b.v. dbc’s. Het is een admi-nistratieve code die de zorgvraag (diagnose) en totale behandeling van een patiënt weer-geeft. Het tarief dbc betreft alle kosten die ziekenhuis maakt, inclusief kosten van gebouwen (kapitaallasten). De mate waarin ziekenhuizen risico lopen o.a. bij investeringen wordt zo ge-leidelijk groter doordat het aantal dbc’s groeit.

Behandelingen (dbc’s) zijn ingedeeld in twee segmenten. Het A-segment en het B-segment. Het A-segment bevat alle behandelingen (dbc’s) die vallen onder de basisverzekerde zorg. Deze worden volledig gedekt door de basiszorgverzekering. Er zijn een aantal uitzonderin-gen. Zo zijn er behandelingen die alleen worden vergoed als er bijvoorbeeld een medische in-dicatie is. Voor alle dbc’s in het A-segment bestaan landelijk vastgestelde tarieven. De tarie-ven van de dbc (indien de code bekend is) kan op het internet worden opgezocht. Er zijn ook behandelingen die helemaal niet of alleen onder voorwaarden worden vergoed. Voor behan-delingen (dbc’s) die in het B-segment vallen, liggen de prijzen niet vast. Elke zorginstelling be-paalt zelf de prijzen en dient hiervoor afspraken te maken met de zorgverzekeraar. Het B-segement betreft een aantal niet-spoedeisende behandelingen zoals staaroperaties. Voor de-ze behandelingen kan de ene zorginstelling dus goedkoper of duurder zijn dan het andere. Omdat de verzekering zelf uitmaakt hoeveel er aan de patiënt vergoed wordt, is het van be-lang vooraf te informeren wat de consequenties hiervan zijn. Op dit moment (2009) is het be-leid dat over maximaal 35% in het B-segment onderhandeld mag worden.

Dienst
Een dienst is arbeid die men ten behoeve van anderen verricht. Diensten worden aan ande-ren verleend. Bij het verlenen van diensten brengt de door een onderneming verrichte arbeid geen product voort dat vervolgens aan klanten geleverd kan worden. Bij dienstverlening wordt de arbeid direct verricht ten behoeve van de klant, zoals in de adviesbranche, gezond-heidszorg en het onderwijs, of door te werken bij de klant, zoals bij het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden. Een dienst brengt dus wel resultaten voort voor de klant, zoals een betere gezondheid, meer kennis of een schoon huis. De resultaten hebben echter niet de vorm van een product dat in het bezit van de klant overgaat. Zie ook product.

Dienstverleningsovereenkomst (DVO)
(begrip uit de zorgsector)
Zie Service Level Agreement (SLA)

Diepte-investeringen
Investeringen die de hoeveelheid kapitaal per werknemer opvoeren. Meestal leidt dit tot meer automatiseren en minder personeelskosten.

Differentiële kosten/opbrengsten
Differentiële kosten/opbrengsten zijn de extra kosten/opbrengsten om een extra partij goe-deren te maken/verkopen. Zie Incrementele kosten

Direct costing
Ook wel variabele of marginale kostencalculatie genoemd. Het is een methode van kosten-calculatie waarbij alleen de variabele kosten aan de productie worden toegerekend en de vaste kosten rechtstreeks ten laste van de resultatenrekening komen. Dit systeem kan han-dig zijn als de indirecte kosten maar een klein gedeelte van de totale kosten van een onder-neming uitmaken. Zie ook Kostencalculatiesystemen.

Directe kosten
Kosten waarvan duidelijk is waarvoor ze gemaakt zijn. Kosten die rechtstreeks doorberekend kunnen worden aan een product of productieproces.

Directe-opbrengstwaarde
Opbrengst van een (duurzaam) productiemiddel indien het (duurzaam) productiemiddel ver-kocht wordt.

Disagio
Het bedrag dat een munt of waardepapier minder waard is dan het bedrag dat erop aangege-ven staat. Dit is het omgekeerde van agio.

Disconteren
Een rekenkundige methodiek waarbij individuele jaarlijkse vrije geldstromen tegen een ver-mogenskostenvoet contact gemaakt worden naar het waarderingsmoment.

Disconteringsvoet
De disconteringsvoet (ook wel rekenrente genoemd) wordt gebruikt om een actuele waarde te berekenen van toekomstige kasstromen. Hierbij wordt ook gekeken naar de rente die op de rente wordt behaald. Het is daarmee een fictief rendementspercentage dat het vermogen geacht wordt op te brengen in de toekomst. Dit is noodzakelijk om aan te geven dat geld een tijdswaarde heeft.

Disconto
De rente die de centrale bank de aangesloten banken in rekening brengt voor het lenen van geld.

Discounted Cashflow berekening (DCF)
Deze methode, om onder andere de waarde van een onderneming te bepalen, zet de toe-komstige cashflow om in het geld dat er vandaag voor betaald zou moeten worden. Hierbij wordt ook gekeken naar de rente die op de rente wordt behaald. In de kern is de vraag wat een euro in de toekomst op dit moment waard is.

Dividend
Winstuitkering (vergoeding) aan aandeelhouders. De hoogte staat meestal niet vast, maar wordt jaarlijks afhankelijk van de winst opnieuw vastgesteld. Er zijn verschillende soorten di-vidend:
– cashdividend: dividenduitkering in de vorm van contanten;
– stockdividend: dividenduitkering in de vorm van aandelen;
– bonusdividend: een extra dividenduitkering ten laste van de post reserves.
Als het dividend wordt uitgekeerd uit de agioreserve, wordt gesproken over agiobonus.

Dividendrendement
Dit kengetal gaat uit van het rendement van een aandeel op de beurs. Voor uitgekeerde winst wordt ook dividend gebruikt.

uitgekeerde winst per aandeel
Dividendrendement = x 100%

beurswaarde van het aandeel

Dochtermaatschappij
Een onderneming waarover een andere maatschappij (de moedermaatschappij) de zeggen-schap heeft. Vaak is dit het geval als de moedermaatschappij meer dan 50% van de aande-len van de dochter bezit. Hierbij gaat het om wezenlijke bestuursinvloed, waarbij het aande-lenbezit zelf niet de bepaalde factor hoeft te zijn.

Doelmatig
(begrip uit de overheidssector)
Iets is doelmatig als er naar een resultaat is gewerkt met zo weinig mogelijk geld of bestede tijd. Zie ook Rechtmatig.

Duaal management
(begrip uit de zorgsector)
Vorm van management dat veel voorkomt bij professionele organisaties, zoals ziekenhuizen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen de inhoudelijke aansturing (bijvoorbeeld de medi-sche staf) en de beheersmatige aansturing (bijvoorbeeld door het stellen van kaders en randvoorwaarden).

Dualisme
(begrip uit de overheidssector)
Scheiding van verantwoordelijkheid tussen volksvertegenwoordiging enerzijds en regering anderzijds, respectievelijk tussen een fractie in het parlement en de ministers van diezelfde partij in de regering. Hierdoor ontstaat een soort machtsevenwicht. Deze begrippen zijn ook van toepassing op lagere overheden.

Dubbel boekhouden
Met dubbel boekhouden wordt bedoeld het gebruikelijke boekhoudkundige systeem met dub-bele inschrijvingen. Elke transactie wordt zowel aan de creditkant als aan de debetkant op een of meerdere grootboekrekeningen geboekt. Vaak wordt daarbij gebruik gemaakt van dagboeken, zoals kasboek, inkoopboek of verkoopboek, die een automatische tegenreke-ning kunnen hebben ingesteld.

Het gevolg van deze techniek is dat het eindresultaat van een dergelijke boekhouding nood-zakelijk tweemaal hetzelfde bedrag geeft. Het credittotaal moet gelijk zijn aan het debettotaal, en dat zowel in de gezamenlijke journalen (het centraal dagboek) als in de gezamenlijke re-keningen (het grootboek). Hoewel in de digitale verslaglegging (bijvoorbeeld met een boek-houdpakket) veelal elk bedrag slechts éénmaal ingebracht hoeft te worden, is de onderlig-gende registratie nog altijd gebaseerd op deze klassieke dubbele registratie.

Zie ook Enkel boekhouden, Credit, Debet en Grootboek.

Dubbele boekhouding
Er worden twee boekhoudingen bijgehouden: één wordt openbaar gemaakt ter controle van de fiscus of t.b.v. overige belanghebbende organisaties en één waar de echte stand van za-ken in vermeld wordt (ook wel “schaduwboekhouding”).

Due Dilligence
Professionele controle en analyse van de boekhouding van een bedrijf, gericht op een ver-koop of aankoop van een organisatie. Hiermee wordt de betrouwbaarheid van de beschikba-re cijfers gecontroleerd (bijvoorbeeld zijn de omzet en kosten correct). Tegenwoordig worden niet alleen maar boekhoudkundige audits (DD) maar ook andere audits zoals een perso-neelsaudit (HDD: Human DD), Vendor DD (een DD door een verkoper van een organisatie om kopers een beeld te geven van de organisatie) of Confirmative DD (een DD om te achter-halen of de opgegeven cijfers waarheidsgetrouw zijn) gedaan.

Dupontanalyse
Een techniek die wordt gebruikt bij de financiële analyse van een onderneming. Bij deze tech-niek worden een aantal kengetallen en grootheden van de balans en winst-en-verliesrekening met elkaar in verband gebracht. Centraal staat hier het kijken naar de rentabiliteit van de on-derneming. Zie ook Dupontschema.

Dupontschema
Het Amerikaanse concern Dupont de Nemours & Co heeft in 1919 een schema ontwikkeld waarin alle factoren die van invloed zijn op de rentabiliteit met elkaar in verband worden ge-bracht. Dit schema is zo doeltreffend, dat het nog steeds als financieel instrument wordt ge-bruikt. Hoewel complexer dan de meeste kengetallen, wordt in het schema de veelheid van cijfers teruggebracht tot een overzichtelijke hoeveelheid, waarbij vooral de onderlinge ver-banden duidelijk zichtbaar worden. Het schema laat zien welke factoren de rentabiliteit ben-vloeden en wat er beheerst moet worden om de rentabiliteit te optimaliseren. Het schema wordt ook gebruikt voor het inzichtelijk maken van RONA en ROI. Zie ook de rentabiliteit van het totale vermogen (RTV).

Duurzame productiemiddelen
Goederen bestemd voor meerjarig gebruik in een onderneming, zoals terreinen, gebouwen en machines. Ook wel vaste activa genoemd.

Earn out
Een earn out wordt ook wel vordering genoemd en is veelal van toepassing bij een koop/verkoop van een onderneming. In het geval van een earn out laat de koper een deel van de koopsom in de onderneming zitten. Een earn out kan een risicovolle aangelegenheid zijn. Vaak wordt op basis van prestaties van de organisatie in de toekomst een vordering af-gesproken. Een voorbeeld: als de omzet zich binnen bepaalde marges begeeft, zal er een extra uitkering worden gegeven van x% van de gerealiseerde omzet.

Earnings Before Intrest and Tax (EBIT)
EBIT betreft het bedrijfsresultaat uit gewone bedrijfsuitoefening voor aftrek van financiële ba-ten en lasten en belastingen. Zie ook de Winst- en verliesrekening. EBIT wordt veelal als kengetal gebruikt. Het betreft een absoluut getal dat rechtstreeks uit de jaarrekening komt.

Earnings Before Intrest Tax Depreciation and Amortisation (EBITDA)
Dit betreft een correctie van het bedrijfsresultaat (EBIT) door alle afschrijvingen op materiele (Depreciation) en immateriële vaste activa (Amortisation) eruit te halen. Oftewel de winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en herwaarderingen. Kern van het begrip EBITDA is dat het, anders dan nettowinst, een goede graadmeter kan zijn voor de operationele prestaties. De rente, afschrijvingen en herwaarderingen zijn niet direct gekoppeld aan de omzet en de huidi-ge prestaties. Aan de andere kant zijn het wel kosten waarmee rekening gehouden moet worden, die niet in de EBITDA, maar wel in de nettowinst naar boven komen.

Economic profit
Het rendement van de bedrijfsvoering wordt getoetst aan een minimumnorm die wordt gesteld aan het geïnvesteerd vermogen ook wel Weighted Average Cost of Capital (WACC) ge-noemd. Als dit rendement boven deze norm uitgaat, is er sprake van economic profit. On-danks dat er wellicht een subtiel onderscheid is, kan worden gestel dat de Economic profit daarmee gelijk is aan Economic Value Added (EVA).

Economic Value Added (EVA)
EVA is de nieuwere versie van de voorheen veelgebruikte term Residual income en vroeger ook Economic profit genoemd. EVA is een maatstaf waarbij gekeken wordt naar de opbrengst van iedere activiteit na aftrek van de kosten van het benodigd kapitaal om die activiteit in stand te houden. EVA is een economisch principe en gebaseerd op het idee dat een onder-neming zowel de bedrijfskosten als de kosten van het kapitaal moet dekken.

In de kern is EVA het verschil tussen de winst van de onderneming en de vereiste winst op basis van de Weighted Average Cost of Capital (WACC).

Het zelf berekenen van dit kengetal wordt ontraden omdat de WACC en het winstbegrip moei-lijk te bepalen zijn. Het gaat vooral om de discussie over het laten groeien van de EVA door bijvoorbeeld een hoger operationeel resultaat (zoals omzetgroei, hogere marges, verlaging kostenniveau), lager geïnvesteerd vermogen (zoals reductie van gebouwen, tijdige facture-ring, reductie voorraden, optimaal gebruik liquide middelen) en meer rendabele investeringen.

Economische levensduur
Zie Levensduur.

Economische winst
Nettowinst na belastingen (zonder rente), verminderd met de kosten die verbonden zijn aan het kapitaal in de onderneming (naar risico gewogen kapitaalskosten). Economische winst is gelijk aan Economic profit en dus Economic Value Added (EVA).

Effecten
Geldwaardige papieren, zoals aandelen en obligaties. Ook wel fondsen of stukken genoemd.

Efficiencyratio
Term uit de banksector die aangeeft hoe efficiënt een bepaalde bank is. Deze ratio wordt be-rekend door de bedrijfslasten te delen door het totaal van de netto-baten en de uitkomst te vermenigvuldigen met 100. Hoe lager de efficiencyratio is, des te efficiënter opereert de bank. In de bedrijfslasten zijn de kredietvoorzieningen niet meegenomen.

De basisactiviteit (de essentie, een bank heeft meer bronnen van opbrengsten) van een bank is geld lenen van klanten en dat weer uitlenen. Het verschil daartussen is de rentemarge, dit worden dan de baten genoemd. Hiervan moeten de kosten gedekt worden.

Efficiency verschil
Het verschil tussen de begroting en de werkelijke bezetting van middelen bij het maken van producten en/of diensten.

Egalisatierekening
Een egalisatierekening is bedoeld om de kosten die gedurende meerdere jaren op het budget zullen drukken, gelijkmatig op de exploitatierekening te belasten.

Egalisatierekening afschrijvingen
(begrip uit de zorgsector)
De post egalisatierekening afschrijvingen is een post die voortkomt uit de aard van de bekos-tiging van de zorgsector. De omvang van de egalisatierekening geeft het cumulatieve bedrag van nog niet benutte maar bedoelt voor afschrijvingslasten op jaarlijkse instandhoudinginves-teringen weer en geeft dus een indicatie van de investeringsruimte. De post wordt jaarlijks gemuteerd voor het verschil tussen de in het wettelijk budget opgenomen vergoeding voor afschrijvingslasten en de werkelijke afschrijvingslasten op jaarlijkse instandhoudinginveste-ringen.

Eigen vermogen
Het eigen vermogen van een onderneming is het belang in de activa van de onderneming na aftrek van al het vreemd vermogen. Bij een BV of een NV gaat het om het deel van het ver-mogen dat toebehoort aan de onderneming.

De indeling van het eigen vermogen in de zorgsector is zeer specifiek. In het balansmodel worden de volgende posten onderscheiden:
1. Kapitaal: dit betreft het bij oprichting of later ingebrachte kapitaal.
2. Collectief gefinancierd gebonden vermogen.
3. niet-collectief gefinancierd vrij vermogen.

Voor de overheidssector gaat het om het eigen geld dat in de organisatie wordt gehouden.

Elasticiteit (van de financiële structuur)
De mate waarin de onderneming zich kan aanpassen aan veranderende omstandigheden. Hierbij gaat het om de mate waarin de vermogensstructuur kan worden aangepast aan een veranderde vermogensbehoefte (meer of minder geld behoefte of andersoortig vermogen).

Emballage
Verpakkingsmateriaal. In de detailhandel wordt dit als voorziening opgenomen. Veelal wordt verpakkingsmateriaal b.v. een krat of glas bij een klant in rekening gebracht (statiegeld). In-dien het verpakkingsmateriaal wordt teruggebracht, dient de onderneming dit te betalen. Daarom blijft het een verplichting richting de klant. Het expliciet definiëren wat emballage is en welke posten daaronder vallen, blijkt in de praktijk zeer lastig te zijn.

Emerging markets
Engelse term voor opkomende markten; dat zijn landen of markten die wat economische ontwikkeling betreft achterliggen bij de meeste westerse landen, maar die bezig zijn met een inhaalbeweging. Daarmee hebben deze markten een grotere groeipotentie.

Emissie
Uitgifte van effecten (aandelen of obligaties) door de onderneming of de overheid ter verkrij-ging van nieuw vermogen.

Emissiewaarde
De waarde van een aandeel of obligatie, zoals berekend bij de uitgifte ervan. Bij de emissie wordt met name gekeken naar de beurswaarde.

Enkel boekhouden
Enkel boekhouden wordt ook wel eens enkelvoudig boekhouden genoemd, of ook nog kas-boekhouding. In een kasboekhouding noteert men chronologisch, dus in volgorde van de ge-beurtenissen, alle kosten die er zijn gedaan voor de onderneming of alle opbrengsten die zijn gerealiseerd. In een enkelvoudige boekhouding worden gebeurtenissen dus in één enkel re-gister genoteerd. Dit is een belangrijk verschil met het dubbel boekhouden. Zie Dubbel boek-houden.

Enkelvoudige jaarrekening
Dit wordt gebruikt in situaties waarbij ook sprake is van een geconsolideerde jaarrekening. In die situatie betreft het dan een jaarrekening van een individuele onderneming in dat concern.

Environmental, Safety, Health en Administration (ESHA)
De ESHA is een kwaliteitskenmerk. Het is een kengetal dat gebruikt kan worden om te kijken naar bijvoorbeeld de veiligheidsaspecten. Voor dit kengetal worden targets bepaald. Voor-beeld: in de komende periode minimaal 1 SIP (safety involvement project). Deze SIP wordt dan gedefinieerd door een bijeenkomst per maand waar iedereen is (100%). In deze bijeen-komst worden de veiligheidsissues opgepakt en voorlichting gegeven. Een ander voorbeeld kan zijn dat er een target wordt gesteld dat minimaal 100 dagen geen ongevallen mogen ge-beuren.

Escrow
Escrow staat voor de situatie waarbij partij A ‘iets’ in bewaring geeft aan een derde onafhan-kelijke en betrouwbare partij C, opdat deze het in bewaring gegeven goed deskundig zou be-waren en onder bepaalde voorwaarden of indien bepaalde gebeurtenissen zich voordoen het in bewaring gegeven goed zou overhandigen aan partij B.

Specifiek in de softwaresector wordt escrow aangewend ter vrijwaring van de belangen van de softwareklant indien die zich wil indekken tegen bepaalde risico’s in hoofde van de softwa-releverancier (het meest gevreesde daarbij wellicht het faillissement van de leverancier). De softwareleverancier zal de broncode van de software (en de bijhorende documentatie) in be-waring geven bij de escrowagent, en deze broncode regelmatig updaten indien nieuwe ver-sies op de markt gebracht worden. Indien de leverancier dan failliet zou gaan, heeft de klant tenminste de broncode van haar applicatie en kan zij alsnog trachten haar applicatie aan de praat te houden.

Een escrow-overeenkomst kan ook als zekerheidsinstrument worden toegepast in financiële zin waarbij het gelijkenis vertoond met de onafhankelijke bankgarantie. In beide gevallen gaat het om een zekerheidsinstrument voor betaling van een koopsom of schadevergoeding bij wanprestatie en vindt betaling via een derde plaats. Bij de bankgarantie neemt de bank een zelfstandige verplichting tot betaling en daarmee een kredietrisico op zich. Op basis hiervan wordt ook de provisie bepaald. Bij de escrow-overeenkomst wordt dit risico niet gelopen en hoeft niet meer betaald te worden dan het saldo van de rekening. Daarmee is de provisie be-duidend minder.

Euribor
Euro Interbank Offered Rate is een interbancaire rentevoet voor de eurolanden. Euribor wordt samengesteld door meer dan 3.000 banken in de Europese Unie en een aantal daar-buiten en kan daarom gezien worden als een onafhankelijk dan wel standaardrentetarief. De Euribor wordt gebruikt in de financiële wereld voor het vaststellen van rentes voor allerlei af-geleide producten, zoals bijvoorbeeld renteswaps. De Euribor bestaat sinds 1999, bij de start van het gebruik van de euro.

Eurobond
Een eurobond is een leningsvorm die in de markt wordt aangeboden op een tijdstip dat de uit-gevende instelling de omstandigheden gunstig acht. Slechts kort van tevoren zal dus een aankondiging van een dergelijke lening gedaan worden. Ook de inschrijvingskoers wordt kort voor de inschrijving bekend.

Europese aanbestedingsrichtlijnen
(begrip uit de overheidssector)
Richtlijnen voor het openstellen van overheidsopdrachten voor leveranciers uit alle Europese lidstaten. De richtlijnen zijn gericht op een transparant aanbestedingsproces op basis van ob-jectieve selectie- en gunningscriteria.

Ex-dividend
De waarde van een aandeel, de dag nadat het dividend beschikbaar is gesteld. Het dividend zit dan niet meer in de koers verwerkt. Ex-dividend betekent dan dat het aandeel geen recht meer geeft op het dividend over de voorgaande periode. Op de dag vóór de ‘ex-dividenddatum’ wordt bepaald welke beleggers het aandeel in bezit hadden, en dus recht hebben op het dividend. De waarde van het aandeel past zich hieraan aan, door te zakken met de hoogte van het dividend.

Expiratiedatum
De afloopdatum van een optie: de dag waarop de opties voor het laatst kunnen worden ver-handeld.

Exploitatiekosten
Kosten die gemaakt worden voor onderhoud, leegstand, verzekering, beheer e.d. van het on-roerend goed, bijvoorbeeld uitgedrukt in een percentage van de huur. Feitelijk zijn het kosten verbonden aan de normale bedrijfsuitvoering.

Exploitatierekening
Zie winst-en-verliesrekening.

Extern overlopende activa
Een term die in officiële boeken nauwelijks voorkomt. In een constructie waar dit wordt ge-bruikt, kan deze term in een jaarrekening van een onderdeel (de enkelvoudige rapportage) gebruikt worden voor een vordering die door tussenkomst/handelen van een zusteronder-neming of de moeder te gelde gemaakt moet worden. Een splitsing zou zin kunnen hebben indien de zuster of moeder een bedrag van gelijke grootte als passiefpost opneemt. In de ge-consolideerde jaarrekening vallen deze posten dan tegen elkaar weg. Nadere toelichting voor deze post moet gevonden worden in de toelichting; een aanvullende vraag bij de controller stellen is een goede twee.

Externe financiering
Ter verkrijging van financiële middelen (vermogen) wordt een beroep gedaan op de vermo-gensmarkt (aandelen uitgeven of geld lenen).

Externe verslaglegging
Het proces van verzamelen, groeperen en verstrekken van (financiële) gegevens ten be-hoeve van belangstellenden buiten de onderneming. Ook wel financial accounting genoemd.

Extramuraal
(begrip uit de zorgsector)
Onder extramurale zorg wordt verstaan het zorgaanbod dat wordt verleend buiten het zie-kenhuis in bepaalde praktijken of thuis.

Factoring
Factoring is het uitbesteden van de debiteurenbewaking en -inning. Een factoringmaatschap-pij koopt de rekeningen, die een onderneming heeft uitstaan bij zijn debiteuren, op voor een bedrag dat lager ligt dan de totale som van deze rekeningen. De factoringmaatschappij neemt daarbij niet alleen de lusten maar ook de lasten (bijvoorbeeld het risico dat sommige debiteu-ren niet betalen) geheel over.

FIFO-systeem
Methode van voorraadwaardering: first in first out. Wat het eerst is ingekocht cq geprodu-ceerd, wordt geacht het eerst te zijn verkocht of gebruikt.

Financial accounting
Dit vakgebied houdt zich bezig met het verschaffen van informatie aan mensen/stakeholders buiten de onderneming, zoals het jaarverslag. Ook wel externe verslaglegging genoemd.

Financial lease
Dit is een leaseconstructie waarbij voor langere tijd een overeenkomst met elkaar wordt aan-gegaan. De looptijd van deze overeenkomst is afgestemd op de economische levensduur van het geleasede activa. Financial lease is een leasevorm waarbij de gebruiker (lessee) het economische belang van het activa heeft. In wezen heeft het leasecontract dan veel weg van een financieringsovereenkomst. Dit kan fiscaal voordelig zijn, er kan immers op de activa worden afgeschreven en eventueel is een investeringsaftrek te claimen. Overigens houdt fi-nancial lease niet per definitie in dat de kosten van het onderhoud niet in de leasetermijn zijn meegenomen. Is het onderhoud wel bij de leasetermijn inbegrepen, dan is er sprake van zo-genaamde ‘financial service leasing’.

Financieel beheer
Het uitvoeren van plannen door te beslissen over de bestemming van de aanwezige middelen (bijvoorbeeld kasmiddelen) en de aanwending daarvan. Daarnaast wordt met het beheer ge-doeld op de bewaking van de uitvoering (implementatie) gericht op het bereiken van de ge-stelde doelen.

Het financieel beheer (begrip uit de overheidssector) van een ministerie omvat het geheel van beslissingen, handelingen en regels die zijn bedoeld voor de sturing en beheersing van, als-mede de verantwoording over, de financiële transacties en de saldi waarvoor de minister (mede)verantwoordelijkheid draagt. Deze begripsomschrijving is gebaseerd op de Comptabi-liteitswet 2001.

Financieel verslag
Met het financieel verslag legt de directie of het bestuur financieel verantwoording af over de gang van zaken van het afgelopen jaar. Deze documentatie geeft informatie over de financi-eel-economische gang van zaken in het afgelopen boekjaar. Het financiële verslag bestaat uit drie delen: de jaarrekening, het jaarverslag en overige gegevens. Het financieel verslag wordt in de volksmond ook wel financiële stukken of het jaarverslag genoemd, maar dit jaarverslag is dus feitelijk een onderdeel van het financiële verslag.
Zie ook Jaarrekening, Jaarverslag en Overige gegevens.

Financiering
Het door een organisatie voorzien in de vermogensbehoefte. Concreet gaat het over de ma-nier waarop het totale vermogen van de onderneming is samengesteld (eigen vermogen ver-sus vreemd vermogen). De wijze waarop de onderneming is gefinancierd, is vooral van be-lang voor de solvabiliteit van de onderneming. Aan een financiering zijn (rente)kosten verbon-den.

Financieringsbeslissing
Beslissing van de onderneming om eigen en/of vreemd vermogen aan te trekken.

Financieringstekort
(begrip uit de overheidssector)
Het begrotingstekort minus de aflossingen op de staatsschuld. Daarmee wordt bekend wat het netto beroep van de overheid op de kapitaalsmarkt is.

Financieringsverschil
(begrip uit de zorgsector)
Het financieringsverschil is een balanspost die ontstaat doordat de instelling zijn vastgesteld budget aanvaardbare kosten daadwerkelijk betaald krijgt via de declaraties die, voor de onder dit budget vallende verrichtingen, naar de patiënten of meestal rechtstreeks naar hun verze-keraars, worden gestuurd. Als de instelling precies de in het budget afgesproken aantallen verrichtingen doet, dan ontstaat er geen financieringsverschil. Als er meer dan de afgespro-ken aantallen verrichtingen worden gedaan ontstaat er een financieringsoverschot. Als er minder verrichtingen worden gedaan, ontstaat een financieringstekort. Dit verschil wordt in lagere respectievelijk hogere vastgestelde tarieven voor een volgend jaar verrekend.

Daardoor is het financieringsverschil slechts tijdelijk, want het is na die verrekening weer op-gelost. Omdat er enige jaren kunnen verstrijken tussen het ontstaan van het financierings-verschil en de definitieve verrekening, bevat deze balanspost meestal het financieringsver-schil van een aantal nog niet verrekende jaren. Omdat steeds meer gewerkt wordt met de DBC-systematiek heeft het budget aanvaardbare kosten, en daarmee het financieringsver-schil, op een steeds kleiner deel van de bekostiging van de instellingen betrekking.

Financiële structuur
Het geheel van relaties tussen de kapitaalstructuur, de vermogensstructuur en de resultaten die de onderneming met behulp van haar activa behaald heeft.

Financiële vaste activa
Financiële vaste activa zijn financiële waarden zoals vorderingen, aandelen maar ook lange termijn deposito’s. Er wordt gesproken over “financieel vast” als het een financiële waarde of recht betreft en bedoeld is om lang (> 1 jaar) in de onderneming te blijven. Het betreffen alle naar hun aard langdurige financiële relaties die als activa kunnen worden aangemerkt. Onder de financiële activa worden volgens de wet (art. 367, titel 9, boek 2 Burgerlijk Wetboek) af-zonderlijk opgenomen: aandelen, certificaten van aandelen en andere vormen van deelne-ming in groepsmaatschappijen, andere deelnemingen, vorderingen op groepsmaatschappijen, vorderingen op andere rechtspersonen en vennootschappen die een deelneming hebben in de rechtspersoon of waarin de rechtspersoon een deelneming heeft, overige effecten en ove-rige vorderingen.

Fouten
(begrip uit de overheidssector)
Fouten zijn afwijkingen van de criteria rechtmatigheid en deugdelijke weergave. We spreken van een fout als bepaalde verplichtingen, uitgaven of ontvangsten onrechtmatig zijn (de minis-ter heeft het geld niet uitgegeven of ontvangen volgens de daarvoor geldende wetten en re-gels) of ondeugdelijk zijn weergegeven (de minister heeft de financiële informatie niet juist of volledig verantwoord).

Frictiekosten
Frictiekosten kunnen worden omschreven als extra kosten die uitgaan boven het regulier be-schikbare budget voor reguliere werkzaamheden als gevolg van het optreden van tijdelijke fricties (verstoring) ten opzichte van de normale gang van zaken.

Funds flow
Een staat van herkomst en besteding van de financiële middelen gedurende het afgelopen jaar.

Future
Een overeenkomst tot koop of verkoop van een goed of financiële waarde die op een bepaald tijdstip in de toekomst door de verkoper aan de koper moet worden geleverd. Dit tegen een prijs die bij het aangaan van het contract wordt vastgelegd. De waarde waarop de futures zijn gebaseerd worden de onderliggende waarde genoemd.

Garantievermogen
Het garantievermogen is het eigen vermogen plus het achtergestelde vreemd vermogen. Dit achtergesteld vreemd vermogen bestaat uit achtergestelde leningen. Voor banken is de ver-houding tussen garantievermogen en totaal vermogen een belangrijke maat voor de beoorde-ling van de solvabiliteit van de onderneming. Is deze verhouding in de ogen van de bank te laag, dan zal de bank niet bereid zijn het bedrijf een (nieuwe) lening te verstrekken.

Gearing
Het aanbrengen van een versnelling. Veelal wordt het gebruikt om de mate aan te geven waarin de koers van een afgeleid product sneller beweegt dan de onderliggende waarde. Een voorbeeld: een warrant met een gearing van 10 stijgt of daalt tien keer zo snel als het aandeel waar het op is gebaseerd.

Gearing ratio
De Gearing ratio is een soort solvabiliteit. Hij wordt echter anders berekend: de netto financi-ele schuld wordt gedeeld door het eigen vermogen.
Oftewel: het is de verhouding tussen de eigen middelen (het kapitaal en gereserveerde winst van vorige jaren) en de vreemde middelen (schulden en kredieten) van een onderneming.

In de kern geeft de solvabiliteit en de gearing ratio aan hoe de onderneming gefinancierd is. Feitelijk kun je dan stellen: hoe meer vreemd vermogen, hoe groter de hefboomwerking.

Gebroken boekjaar
Van een gebroken boekjaar wordt gesproken als het boekhoudkundige jaar niet samenvalt met een geheel kalenderjaar.

Geconsolideerde jaarrekening
De geconsolideerde jaarrekening is de jaarrekening waarin de activa, passiva, baten en las-ten van de rechtspersonen en vennootschappen die een groep of groepsdeel vormen en an-dere in de consolidatie meegenomen rechtspersonen en vennootschappen, als één geheel worden opgenomen (artikel 2:405 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Anders gezegd, het is de geza-menlijke jaarrekening van tot dezelfde groep behorende ondernemingen. Ook wel groepsjaar-rekening genoemd. De posten op de balans en de winst-en-verliesrekening, van de tot die groep behorende ondernemingen, worden bij elkaar opgeteld en tot één geheel gemaakt.

Gecontracteerde zorg
(begrip uit de zorgsector)
Gecontracteerde zorg is zorg waarvoor een zorgverzekeraar ten behoeve van zijn verze-kerden een contract heeft gesloten met zorgaanbieders.

Geheime reserve
Reserve waarvan noch het bestaan noch de omvang uit de balans is af te leiden. Geheime reserves zijn niet toegestaan. Het bestaan hiervan moet in een rapportage tot uitdrukking worden gebracht. Zie ook Stille reserve.

Geïnvesteerd vermogen
Dit is het eigen vermogen (plus in concernsituaties een eventueel minderheidsbelang) plus de korte en lange rentedragende schulden.

Geldmarkt
Markt voor vermogensoverdrachten voor korte termijn (tot maximaal twee jaar). Samen met de kapitaalmarkt vormt de geldmarkt de vermogensmarkt.

Geldstromen
(begrip uit de zorgsector)
In de zorgsector wordt gesproken over eerste, tweede en derde geldstroom. De eerste geld-stroom bestaat uit publieke middelen die door het Ministerie direct beschikbaar worden ge-steld, behalve de Rijksbijdragen voor wetenschappelijk onderzoek. De tweede geldstroom bestaat uit andere publieke middelen die toegewezen zijn voor wetenschappelijk onderzoek.

De derde geldstroom bestaat uit de overige middelen en gelden die ‘extern’ worden binnen gehaald. Het gaat om geld van ministeries, non-profit organisaties, ondernemingen, particulie-ren en de Europese Unie. Bijvoorbeeld ten behoeve van contractonderzoek. In de kern is de derde geldstroom de mogelijkheid van de zorgaanbieder om andere gelden binnen te halen door de eigen diensten ‘commercieel’ te leveren. Een voorbeeld is een ambulancedienst die BHV-ers van andere organisaties gaat opleiden om met AID-apparatuur om te gaan. Het geld wat daarmee wordt verdiend wordt de derde geldstroom genoemd.

Geldstroom
Stroom van financiële middelen binnen een onderneming, die tot uitdrukking komt in een mu-tatie in de posten Kas en/of Bank en/of Giro.

Gemeenschappelijke regeling
(begrip uit de overheidssector)
Onder de gemeenschappelijke regelingen vallen alle samenwerkingsverbanden tussen over-heidslichamen die op grond van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen zijn opgericht. Voorbeelden hiervan zijn een aantal gewesten, reinigingsdiensten, regionale brandweerdien-sten en regionale ambulancediensten.

Gemiddelde incassoperiode
De uitkomst van dit kengetal geeft (in maanden) aan hoe lang gemiddeld gezien een debiteu-rensaldo open blijft staan. Voor de maandomzet kan ook de jaaromzet worden genomen ge-deeld door 12. Dit is gelijk aan de Debiteurentermijn (in algemeen genoteerd in dagen).

Formule: Debiteuren
Gemiddelde incassoperiode =

Maandomzet

Gemiddelde omlooptijd van voorraden
De uitkomst van dit kengetal geeft aan hoe lang de voorraden gemiddeld ‘in huis’ blijven. Hoe lager het aantal maanden of dagen, hoe gunstiger dit voor de liquiditeit van de onderneming is. Dit kengetal is omgekeerd evenredig (reciproque) met de omloopsnelheid van voorraden.

Formule: voorraden
Gemiddelde omlooptijd van voorraden =

omzet

Generally Accepted Accounting Principles (GAAP)
Algemeen aanvaarde afspraken, regels en procedures voor de financiële rapportage en ver-slaglegging door ondernemingen. De US-GAAP wordt in de Verenigde Staten gebruikt. De re-gelgeving in Europa is vastgelegd in de IFRS-richtlijnen. De US-GAAP en IFRS zijn op vele punten aan elkaar gelijk.

Geplaatst aandelenkapitaal
Het aandelenkapitaal dat door een NV of BV is uitgegeven; in tegenstelling tot maatschappelijk aandelenkapitaal, dat het maximaal uit te geven aandelenkapitaal aangeeft.

Maatschappelijk kapitaal minus nog niet uitgegeven aandelen = Geplaatst kapitaal.
Geplaatst kapitaal minus nog niet opgevraagd kapitaal = Opgevraagd kapitaal.
Opgevraagd kapitaal minus nog niet gestort kapitaal = Gestort kapitaal.

Gestort aandelenkapitaal
Het deel van het aandelenkapitaal dat door aandeelhouders ook gestort is (betaald).

Maatschappelijk kapitaal minus nog niet uitgegeven aandelen = Geplaatst kapitaal.
Geplaatst kapitaal minus nog niet opgevraagd kapitaal = Opgevraagd kapitaal.
Opgevraagd kapitaal minus nog niet gestort kapitaal = Gestort kapitaal.

Gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet
Financiering van onderneming vindt in het algemeen met eigen vermogen en vreemd ver-mogen plaats. Dit vermogen brengt kosten met zich mee. De kosten voor vreemd vermogen worden gevormd door rente. Om als onderneming voldoende eigen vermogen beschikbaar te houden moet ook rekening worden gehouden met de rendementseisen van aandeelhouders. Deze eisen worden ook de kosten van het eigen vermogen genoemd.
Deze verschillende kostenvoeten worden gewogen met de verhouding van de betreffende component van het vermogen in het totaal. Het betreft dus een gemiddelde vermogenskos-tenvoet. Dit wordt in het Engels ook Weighted Average Cost of Capital (WACC) genoemd.

Gewone dienst van de begroting
(begrip uit de overheidssector)
De geraamde baten en lasten van een gemeente of provincie weergegeven voor het komend jaar. Tegenover de lasten dienen ten minste even hoge baten te staan. Zie ook kapitaaldienst van de begroting.

Goodwill
Het vermogen van een onderneming tot het behalen van extra winst, bijvoorbeeld vanwege de waarde van de naam, reputatie of immateriële activa van een onderneming. Het kan gede-finieerd worden als het verschil tussen de aankoopprijs van een deelneming en de waarde die aan de activa en passiva van die deelneming zelf wordt toegekend. Wordt alleen in de balans opgevoerd als zij gekocht is. Als de winstgevendheid van een overgenomen onderneming niet langer de geactiveerde goodwill rechtvaardigt, moet de investering worden afgeschreven (impairment).

Gouden balansregel
De gouden balansregel en de gulden financieringsregel worden dikwijls als synoniemen ge-hanteerd. Er bestaat echter een nuance verschil. Zie ook Gulden financieringsregel.

De gouden balansregel geeft aan dat er een evenwicht moet zijn tussen structuur (omvang en levensduur) van de activa en de structuur van het vermogen. Materiele vaste activa die-nen te worden gefinancierd met eigen vermogen of langlopende schulden. Terwijl vlottende activa met kortlopende schulden gefinancierd dienen te worden.

Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de vaste activa worden gefinancierd door vermo-gensvormen die voor langere termijn aan de onderneming zijn toegezegd. Indien de verhou-ding kleiner is dan één, is er een overschot aan lang vermogen waarmee de vlottende activa kunnen worden gefinancierd. Een lager kengetal van de gouden balans brengt een hogere li-quiditeit met zich mee. Vaak worden in de teller ook de voorzieningen meegenomen (op lange termijn).

Als norm wordt gesteld dat deze kleiner dan één moet zijn, dit betekent dat het werkkapitaal groter dan nul is. Zie ook Werkkapitaal en Current ratio.

Formule: vaste activa
Gouden balans regel =

eigen vermogen + lang vreemd vermogen

Groep
Groep van juridisch zelfstandige ondernemingen die een economische eenheid vormen en organisatorisch verbonden zijn.

Groepsmaatschappij
Van een groepsmaatschappij kan worden gesproken als één of meer NV’s of BV’s met elkaar in een groep verbonden zijn. Het moet dan een eenheid zijn onder gemeenschappelijke lei-ding, waarbij de leidende rechtspersoon (de moedermaatschappij, of heel zelden meerdere moedermaatschappijen gezamenlijk) de beslissende zeggenschap heeft. Een groepsmaat-schappij dient normaliter in een geconsolideerde jaarrekening te worden verwerkt.

Groepsvermogen
Eigen vermogen plus minderheidsbelangen.

Grootboek
In het grootboek wordt voor iedere balans- en resultatenpost afzonderlijk de veranderingen in financiële feiten bijgehouden. Zie ook Dubbel boekhouden.

Gulden financieringsregel
De gouden balansregel en de gulden financieringsregel worden dikwijls als synoniemen ge-hanteerd. Er bestaat echter een nuance verschil. Zie ook Gouden balansregel.

De gulden financieringsregel gebruikt het overzicht van de gouden balansregel om het saldo van de operationele kasstromen als ook het saldo van de geldstromen die uit de aangetrok-ken vermogensvarianten komen, zo optimaal mogelijk in de tijd op elkaar af te stemmen. Of-tewel: het is een methode van het in de tijd op elkaar afstemmen van de gelden die een orga-nisatie ontvangt en moet betalen, met de kosten van de financieringen van de bezittingen. Optimaal voor een organisatie is (vaak) als de tijdstippen waarop betaald en ontvangen moe-ten worden, gelijk vallen.

(begrip uit de overheidssector)
Daarnaast wordt het begrip Gulden financieringsregel in de overheidssector gebruikt. Dan wordt gedoeld op de begrotingsnorm of -regel waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen begrotingsuitgaven met een lopend karkater (consumptie) en uitgaven met het karakter van kapitaalvorming (investeringen). De gulden financieringsregel staat toe dat de overheid leent om investeringen te financieren. Uitgaven die in de inkomensperiode worden gedaan leiden tot behoeftebevrediging in een reeks van komende jaren. Bijvoorbeeld: de aanleg van de Be-tuwelijn kost op dit moment geld (een investering), maar bevredigt de transportbehoeften tot ver in de toekomst (opbrengsten). De aflossing en rentebetaling over de schulden komen dan ten laste van toekomstige belastingbetalers. In dit beeld is dat ook terecht omdat zij ook profi-teren van de voorziening.

Alle overige uitgaven mogen uitsluitend gefinancierd worden uit de lopende inkomsten (zoals belastingen) Kenmerk van de lopende uitgaven is dat betaling en behoeftebevrediging in de-zelfde inkomensperiode plaatsvinden. Bijvoorbeeld: de overheid betaalt salarissen uit aan on-derwijspersoneel aan de basisschool in jaar X. Daarvoor krijgen kinderen in datzelfde jaar les.

Halffabrikaat
Product dat reeds één of verscheidene bewerkingen heeft ondergaan. Ook wel product in bewerking, onderhanden werk of werk in uitvoering genoemd. Het product is nog geen eind-product.

Harrewijn, wet
In september 2006 is een wetsvoorstel van kracht geworden waarin het informatierecht van ondernemingsraden is uitgebreid. Het informatierecht over topinkomens is eraan toegevoegd (WOR artikel 31. lid d). Voor de zorgsector is de Wet Openbaarheid uit Publieke middelen ge-financierde Topinkomens (WOPT) van toepassing.

Hedge
De term Hedge betekent het indekken van risico’s. Dit is als definitie echter misleidend omdat hedgefondsen vaak veel risicovoller beleggen dan normale beleggingsfondsen. Zie ook Hedgefund, Hedgefondsen en Hedging.

Hedgefondsen
Deze fondsen werken op een identieke manier als private equity fondsen. Ze zijn niet uit op een meerderheidsbelang, maar richten zich puur op het verkrijgen van grote sommen geld voor een kleine groep zeer vermogende beleggers. Omdat ze werken met een besloten groep beleggers is het toezicht op deze fondsen beperkt. Daardoor is hun strategie zeer on-doorzichtig. De term ‘hedge’ betekent afdekken van risico’s; door gebruik te maken van aller-lei financieringstechnieken worden de koersrisico’s tot een minimum beperkt. Hedgefondsen gaan vaak agressief te werk. Ze nemen een klein aandeel in een bedrijf en voeren dan de druk op om delen te verkopen,of het beleid aan te passen. Ze zoeken daarvoor vaak steun bij andere (meerderheids)aandeelhouders. Regelmatig wordt geprobeerd bedrijven te splitsen om de prestaties te verbeteren. Zie ook Hedge, Hedgefund en Hedging.

Hedgefund
Van oudsher beleggingsfondsen die op basis van een vastgelegde strategie proberen beleg-gingsrisico’s te beperken. Het zijn vaak fondsen die met geleend geld opereren. Tegenwoor-dig veel gebruikt als verzamelnaam voor zeer speculatief ingestelde beleggingsfondsen.

Hedging
Een strategie om investeringen tegen elkaar af te zetten. Een perfecte hedge is het elimineren van de mogelijkheid op toekomstige winsten of verliezen. Het verminderen van (financiële) ri-sico’s vindt plaats door financiële transacties af te dekken met tegengestelde transacties. Dit kan door bijvoorbeeld renteswaps of opties.

Hefboomeffect (financieel)
Dit wordt ook wel financial leverage genoemd. Het hefboomeffect wordt bepaald door de fi-nanciële structuur van de onderneming en de financiële lasten. Als er wordt geïnvesteerd, be-legd of gewerkt met geleend geld waarbij de opbrengst van de activiteit hoger is dan de finan-cieringsrente, leidt dit tot een hoger rendement dan alleen te werken met eigen vermogen. Dit betekent dat er een positieve leverage wordt behaald. De verhouding tussen vreemd ver-mogen en eigen vermogen bepaalt in welke mate dit voordeel wordt behaald. Als de rentabili-teit van het totale vermogen lager is dan de kosten van vreemd vermogen, dan treedt een negatieve leverage op. Hoe groter het aandeel van vreemd vermogen in de financiering van de onderneming, des te sterker werkt het (positieve of negatieve) hefboomeffect. Natuurlijk stijgt het risicoprofiel van de organisatie doordat er vreemd vermogen wordt aangetrokken.

Als kengetal is het hefboomeffect het verschil tussen de REV en de RTV. De hefboom komt tot uitdrukking in de verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen. Oftewel, deze vermogensstructuur heeft invloed op de rentabiliteit. Een positief hefboomeffect heeft een po-sitief effect op de REV.

Formule:
Hefboomeffect = (RTV -/- RVV ) x ( vreemd vermogen / eigen vermogen )

Hefboomfactor
Omvang van het vreemd vermogen gedeeld door de omvang van het eigen vermogen.

Hefboomwerking van de financiële structuur
Overheveling van de (over of onder) rentabiliteit op het vreemd vermogen naar het eigen vermogen.

Herkapitalisatie
Een enge definitie: Verandering in de samenstelling van het eigen vermogen van een onder-neming, waarbij het gestorte aandelenkapitaal wordt vergroot ten laste van de reserves. Her-kapitalisatie in ruime zin wordt gebruikt als ook nieuw vermogen wordt aangetrokken.

Herwaardering
Verandering van de boekwaarde van activa tot een nieuwe boekwaarde (meestal hogere), die meer in overeenstemming is met de actuele waarde.

Herwaarderingsreserve
Het gedeelte (herwaardering) van het eigen vermogen dat ontstaat door wijzigingen (meestal hogere) in de actuele waarde van de vaste activa.

Historische kostprijsstelsel
Het historische kostprijsstelsel kan van toepassing zijn op alle posten van de jaarrekening. In een periode van prijsstijgingen, leidt dit waarderingsstelsel tot stille reserves op de balans. De historische kostprijs wordt meer formeler aangeduid met de verkrijgingsprijs als de onderne-ming het productiemiddel heeft verkregen / verworven of met de vervaardigingsprijs als de onderneming het productiemiddel zelf heeft vervaardigd.

De Wet op de jaarrekening gaat uit van drie verschillende waarderingsstelsels: 1. historische kostprijs, 2. de actuele waarde en 3. de nettovermogenswaarde. De waardering kan betrek-king hebben op zowel de activa als de passiva.

Historische ratioanalyse
Vergelijking van de financiële ratio’s (kengetallen) van dezelfde onderneming op verschillende momenten in het verleden.

Holding company
Ook wel houdster- of moedermaatschappij genoemd. Onderneming die aandelen in een of meer andere ondernemingen in haar bezit heeft. In tegenstelling tot een beleggingsinstelling beoogt een holding company doelbewust invloed uit te oefenen op het beleid van de dochter-maatschappijen.

Hoofdelijk aansprakelijk
Het met privé en zakelijk vermogen aansprakelijk zijn voor de totale schuld. Hoofdelijke aan-sprakelijkheid betekent dat wanneer meerdere personen gezamenlijk een schuld aangaan, de schuldeiser het volledige bedrag bij elk van hen kan opeisen. De schuldeiser heeft tegenover ieder van hen recht op nakoming van het geheel.

Hypotheek of hypothecaire lening
De officiële definitie hypotheek luidt: “Een recht op andermans onroerende goederen om daarop de voldoening van een vordering bij voorrang te verhalen.” Met hypotheek wordt vaak onterecht de lening aangeduid maar is eigenlijk het recht van de leninggever (hypotheekne-mer) om zijn vordering op het onderpand te verhalen als de leningnemer (de hypotheekgever; degene die het onderpand in onderpand geeft) niet aan zijn verplichting voldoet. Het is meest-al een vordering dan wel verplichting op lange termijn. Als de leningnemer niet aan zijn inte-rest- en aflossingsverplichtingen voldoet, heeft de leninggever het recht zijn vorderingen te verhalen op de opbrengst van het (in de hypotheekakte vermelde) onroerend goed. Dit wordt het recht van hypotheek genoemd.

IJzeren voorraad
De voorraadomvang die minimaal noodzakelijk is om de continuïteit van het productieproces te garanderen. Het is vooral een waarderingsmethode, het ijzeren voorraadstelsel. Deze voorraad wordt gewaardeerd tegen een vaste prijs. Doel van deze methode is te voorkomen dat prijsschommelingen de waarde van de voorraad beïnvloeden en daarmee de nettowinst.

Immateriële vaste activa
Activa op de balans die van niet-stoffelijke aard zijn, zoals octrooien, licenties, auteursrech-ten, goodwill. Verder: oprichtings- en aandelenuitgiftenkosten, onderzoeks- en ontwikkelings-kosten, concessies, vergunningen en intellectuele rechten. De brand name (merknaam) van een onderneming kan hier ook onder vallen, mits dat niet de eigen brand name is.

Impairment
Impairment is feitelijk een ongelijkheid. De immateriële activa worden ieder jaar opnieuw be-oordeeld en de meerwaarde, minderwaarde of impairment (afboeking op immateriële activa) komt (afhankelijk van het object en de tolerantiegrenzen) direct en/of volledig ten laste van de Winst- en verliesrekening. Zie ook IFRS.

Incourante fondsen
Effecten die niet officieel op een effectenbeurs zijn genoteerd. Dat wil niet zeggen dat incou-rante fondsen niet gemakkelijk verhandelbaar zijn, alleen geschiedt de handel in deze effec-ten niet op de beurs, maar veelal onderhands.

Incrementele kosten/opbrengsten
Zie Marginale kosten c.q. Marginale opbrengsten.

Indemniteitswet
(begrip uit de overheidssector)
Wetsvoorstel dat is bedoeld om een bezwaar van de Algemene Rekenkamer op te heffen. In een indemniteitswet vraagt de minister de Tweede Kamer om de verplichtingen, uitgaven of ontvangsten, ondanks het bezwaar van de Algemene Rekenkamer, toch goed te keuren.

Indirecte kosten
Kosten die niet rechtstreeks toegewezen kunnen worden aan producten waarvoor ze ge-maakt zijn; dit wordt ook wel aangeduid als overheadkosten.

Ingehouden winst
Algemene naam voor reserves die gevormd zijn uit gerealiseerde winsten doordat deze win-sten niet zijn uitgekeerd. Dit in tegenstelling tot agio- en herwaarderingsreserves.

Inhaalafschrijving
Extra afschrijving ten gevolge van een herwaardering van duurzame activa.

Initial Public Offering (IPO)
De eerste aanbieding van een onderneming van zijn aandelenpakket aan het publiek. IPO’s zijn meestal een kans voor reeds bestaande beleggers grote winsten te boeken, omdat dit de eerste keer wordt dat hun aandelen een marktwaarde krijgen, gebaseerd op toekomstige groeiperspectieven van het bedrijf.

Initiële kosten
Kosten die zijn gemaakt om (bijvoorbeeld) een nieuw product te ontwikkelen, te maken en voor anderen beschikbaar (klanten, cliënten of patiënten) te krijgen. Het zijn de kosten (ont-wikkeling, vernieuwing, projecten) die gemaakt moeten worden om iets nieuws ‘aan het lopen’ te krijgen.

Input begroting
(begrip uit de overheidssector)
Het begroten van het verbruik van middelen. Zie ook begroting.

Institutionele belegger
Rechtspersoon die regelmatig grote bedragen beschikbaar heeft voor beleggingen, zoals pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en spaarbanken.

Integrale kosten
De som van variabele en vaste kosten.

Integrale kostencalculatie
Ook wel absorption costing, commerciële kostprijs of standaardkostprijs genoemd. Bij dit systeem worden alle overheadkosten toegerekend aan producten. Daarmee worden alle kosten opgenomen in de kostprijs. Zie ook Kostenallocatiesystemen.

Integrale kostprijs
De (integrale) kostprijs van een product of dienst bestaat uit de totale kosten (financieel) die gemaakt worden voor het produceren of leveren van het product of de dienst. Over het al-gemeen is dit voor de directe relatief eenvoudig. De toerekening van de indirecte levert veelal meer problemen op, aangezien er geen directe relatie tussen deze kosten en het product of dienst bestaat.

In de praktijk worden drie vormen van kostprijsberekening gehanteerd: de opslagcalculatie-methode, de kostenplaatsmethode en Activity Based Costing (ABC).

Interest
Rente. Vergoeding die wordt betaald of ontvangen voor het (uit)lenen van geld.

Interestdekkingsgetal
Zie Rentedekkingsgetal.

Interim-dividend
Dividend dat tussentijds (tijdens het boekjaar) aan de aandeelhouders wordt uitgekeerd.

Intern rendement ratio (IRR)
Rentevoet op basis waarvan toekomstige kasstromen contant worden gemaakt. Het staat voor het bedrag dat we denken te gaan verdienen op een investering tijdens de levensduur van het project.

International Accounting Standards (IAS)
Dit zijn verslagleggingregels die, voor de Europese aspecten, inmiddels onderdeel van de IFRS-richtlijnen zijn. Zie ook IFRS.

International Accounting Standards Board (IASB)
Internationale organisatie die probeert uniforme boekhoudkundige regels op te stellen voor in-ternationaal opererende bedrijven, zodat de financiële gegevens, zoals jaarverslagen, van die bedrijven met elkaar vergelijkbaar zijn. De IASB is sinds 2001 de opvolger van de Internatio-nal Accounting Standards Committee (IASC).

International Financial Reporting Standards (IFRS)
IFRS is een boekhoudkundige standaard voor jaarverslagen van ondernemingen. Het betref-fen nieuwe richtlijnen voor het opstellen van de vennootschappelijke jaarrekening die vanaf 1 januari 2005 dwingend van toepassing zijn voor alle aan een Europese beurs genoteerde on-dernemingen. Daarbij geldt een overgangstermijn van vijf jaar. Het gaat hier om accountancy-richtlijnen die op basis van de Europese regelgeving thans voor de gehele Europese Unie gelden.

IFRS omvat de oudere IAS. De oudere IAS-standaarden zijn niet komen te vervallen maar zijn uitgebreid en verder uitgewerkt. Daarnaast is een aantal IFRS-normen toegevoegd. Dit betekent dat een groot aantal activa en passiva anders gewaardeerd en gerubriceerd moet worden. Een voorbeeld is dat er niet meer wordt afgeschreven, maar gewerkt wordt met fair value principle. Oftewel ieder actief wordt ieder jaar opnieuw beoordeeld en de meerwaarde, minderwaarde of impairment (afboeking op immateriële activa) komt (afhankelijk van het ob-ject en de tolerantiegrenzen) direct en/of volledig ten laste van de winst-en-verliesrekening. Voor bijvoorbeeld aandelen in het bezit van de onderneming kan de actuele waarde aanzien-lijk variëren, wat met name duidelijk is als ze beursgenoteerd zijn. Deze veranderingen in de waarde beïnvloeden het vermogen en de winst, ook als het resultaat van de bedrijfsactivitei-ten zelf niet is veranderd.

International Public Sector Accounting Standards Board (IPSASB)
(begrip uit de overheidssector)
De IPSASB moet worden gezien als de ‘standard setter’: de ontwerper van regels voor exter-ne verslaglegging. De IPSASB zicht zich op het bevorderen van consistente en vergelijkbare financiële verslaglegging in de publieke sector. Er nemen meer dan 100 landen deel aan de IPSASB welke zetelt in New York.

Interne financiering
Verkrijgen van geldmiddelen uit de ontvangsten die door de onderneming zelf worden verkre-gen. Belangrijkste bronnen van interne financiering zijn winstinhoudingen en afschrijvingen op productiemiddelen.

Interne rekenrente
(begrip uit de overheidssector)
De rente die gemeenten toerekenen aan het eigen vermogen. Bij private organisaties is de vergoeding voor eigen vermogen winst en bij geleend vermogen rente. Gemeenten streven niet naar winst, dus wordt een vaste vergoeding toegerekend aan het eigen vermogen. Daarmee lijkt eigen vermogen ‘even duur’ als vreemd vermogen en zal een investeringsbe-slissing geen vertekend beeld geven. Deze vergoeding (rente) wordt interne rekenrente ge-noemd.

Interne rentevoet
De berekende rentabiliteit van een investeringsproject.

Interne verslaglegging
Het proces van verzamelen, groeperen en verstrekken van (financiële) gegevens ten be-hoeve van het management binnen de onderneming. Ook wel management accounting ge-noemd.

Intramuraal
(begrip uit de zorgsector)
Onder intramurale zorg wordt verstaan het zorgaanbod dat zich afspeelt binnen de muren van een ziekenhuis of andere zorginstelling.

Intrinsieke waarde
Waarde van het totale eigen vermogen van een onderneming. De term wordt vooral gebruikt als intrinsieke waarde per aandeel, te berekenen door het eigen vermogen te delen door het aantal uitstaande aandelen.

Inventaris
In het bijzonder gereedschappen, kantoormeubelen en dergelijke. De inventaris is een onder-deel van de vaste activa.

Investeren
Het beleggen van geld in productiemiddelen. Ook wel het door de ondernemer vastleggen van gelden in duurzame productiemiddelen ten behoeve van de eigen onderneming.

Investering
(gebruikt als begrip uit de overheidssector)
De uitgave van de overheid in bijvoorbeeld infrastructuur wordt ook wel een investering ge-noemd (kapitaaluitgave). De term investering kan ook betrekking hebben op het door de or-ganisatie zelf vastleggen van gelden in duurzame productiemiddelen ten behoeve van de ei-gen organisatie.

Investeringscentrum
Dit is een verantwoordelijkheidscentrum waarin managers en andere medewerkers opbreng-sten, kosten en het investeringsniveau beheersen. Het investeringscentrum is vergelijkbaar met een onafhankelijke onderneming.

Een verantwoordelijkheidscentrum geeft aan in welke mate de manager van dat centrum op-brengsten, kosten, winst of rentabiliteit van het geïnvesteerd vermogen beheerst. Accoun-tants (en in lijn daarmee ook anderen) delen verantwoordelijkheidscentra in vier typen in: kos-tencentra, opbrengstencentra, winstcentra en investeringscentra. Deze centra kunnen werkmaatschappijen zijn of onderdelen van werkmaatschappijen. Daarnaast kunnen deze onderdelen meer of minder bevoegdheden hebben.

Jaarcijfers
De jaarcijfers zijn een populaire benaming voor de jaarlijkse balans en winst-en-verliesrekening die door ondernemingen worden opgemaakt. Tegenwoordig publiceren veel beursgenoteerde ondernemingen al snel in het nieuwe jaar hun voorlopige jaarcijfers. Pas bij de publicatie van het jaarverslag worden de officiële jaarcijfers vastgesteld. Zie ook Depone-ren jaarrekening. Zie ook Financieel verslag.

Jaarplan
De meerjarenbeleidsplannen van de verschillende eenheden/sectoren, worden vertaald naar jaarplannen. De focus van het jaarplan is gericht op het komende jaar en heeft een tijdshori-zon van één jaar. In deze jaarplannen worden de relevante actieplannen voor het betreffende jaar beschreven. Hierin worden ook de werkplannen van de managers van die afdelingen be-trokken. Het jaarplan wordt door het management aan de RvT voorgelegd en is daarmee een sturingsinstrument van de Raad van Bestuur of Raad van Toezicht.

Jaarrekening
Omvat een balans, winst- en verliesrekening met bijbehorende toelichtingen. Hiervoor zijn wettelijke richtlijnen met gegevens die hierin minimaal moeten worden opgenomen. Bij het op-maken van een balans en een winst- en verliesrekening dient de onderneming rekening te houden met de volgende vijf beginsels: realisatiebeginsel, matchingbeginsel, continuïteitsbe-ginsel, voorzichtigheidsbeginsel en bestendigheidbeginsel. Zie ook Financieel verslag.

Jaarstukken
(begrip uit de overheidssector)
Met de jaarstukken in een gemeente wordt bedoeld: jaarverslag, programmaverantwoording, paragrafen, jaarrekening, rekening van baten en lasten en balans.

Jaarverslag
Het jaarverslag is wettelijk omschreven als het verslag van de directie of het bestuur. Het jaarverslag is onderdeel van het Financieel verslag. In de volksmond wordt met het jaarver-slag het Financieel verslag bedoeld. Zie Financieel verslag.

Joint venture
Een samenwerkingsverband in de vorm van een overeenkomst en/of een rechtspersoon waarbij twee of meer partijen gezamenlijk een economische activiteit ondernemen en waarbij er sprake is van gezamenlijke zeggenschap.

Journaalpost
In de boekhouding wordt van elk financieel feit vastgelegd welke grootboekrekening, voor welk bedrag moet worden gecrediteerd en welke grootboekrekening voor welk bedrag gede-biteerd.

Kaderbrief
(begrip uit de zorgsector)
Een kaderbrief is een notitie waarin de beleidsuitgangspunten van een begroting worden weergegeven. Tevens worden, op hoofdlijnen, de uitgangspunten voor de financiën voor het komend jaar geschetst.

Kapitaal
Kapitaal is (in de bedrijfseconomie) in essentie de passief zijde van de balans. Daarbij gaat het alleen om het eigen deel van het vermogen (het eigen vermogen). Marco economisch wordt de term Kapitaal gebruikt om een productiefactor aan te duiden naast grond en arbeid (de actief zijde van de balans).

Kapitaaldienst van de begroting
(begrip uit de overheidssector)
Op de kapitaaldienst van de begroting worden de uitgaven opgenomen die geen lasten zijn. Zie ook de Gewone dienst van de begroting.

Kapitaalintensieve productiemethode
Productiemethode waarin veel productiemiddelen worden gebruikt en daarmee veel vermo-gensbeslag heeft. De nadruk ligt op de productiefactor kapitaal. Vooral de industrie is kapi-taalsintensief. Zie ook Arbeidsintensieve productiemethode.

Kapitaallasten
De lasten, zoals afschrijvingen en rentekosten, die direct verband houden met het eigen ver-mogen of het vreemd vermogen.

Kapitaalmarkt
Markt waar vraag en aanbod van kapitaal voor lang vreemd en permanent vermogen elkaar ontmoeten. Samen met de geldmarkt vormt de kapitaalmarkt de vermogensmarkt.

Kapitaalstructuur
De kapitaalstructuur van een onderneming is een indicatie van de wijze van financiering. Een onderneming kan zichzelf in grote lijnen financieren met kapitaal of met schulden waarbij ze de kosten voor beide zal proberen te minimaliseren. Een ratio van schuld ten opzichte van al-le activa in een onderneming kan worden gebruikt als een indicator van de kapitaalstructuur van een onderneming.

Kas
Betalingsmiddelen. Omvat onmiddellijk beschikbare bank- en girotegoeden.

Kasgeldlimiet
(begrip uit de overheidssector)
Dit is een begrip uit de Wet financiering decentrale overheden. Daar wordt kasgeldlimiet gede-finieerd als een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar.

De kasgeldlimiet is het maximum bedrag waarvoor de gemeente middelen mag aantrekken op de geldmarkt. De middelen worden aangetrokken bij de huisbankier van de gemeente, de NV Bank Nederlandse Gemeenten (BNG). De grootte van de kasgeldlimiet is afhankelijk van het begrotingstotaal van de gemeente aan het begin van het dienstjaar.

Kasstelsel
Bij het kasstelsel is het moment van uitgeven of ontvangen van gelden bepalend voor het moment waarop een post wordt opgenomen in de verantwoording (bijvoorbeeld begroting). In het boekhoudstelsel wordt de winst bepaald door het verschil in opbrengsten en kosten. Zie begrotingsstelsel.

Kasstroom
De kasstroom van een jaar omvat ontvangsten minus uitgaven oftewel de in- en uitgaande geldstromen. Hierbij gaat het om de werkelijke geldstroom. Zie ook Cashflow en Kasstroom-overzicht.

Kasstroomoverzicht
Overzicht van de feitelijke geldstromen die in de verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en van het gebruik dat van deze middelen is gemaakt. In dit overzicht wordt onderscheid ge-maakt in operationele activiteiten, investeringsactiviteiten en financieringsactiviteiten. Dit wordt ook wel staat van herkomst en besteding der middelen genoemd. Zie ook Cashflow en Kas-stroom.

Kengetal
Een kengetal wordt ook wel kerncijfer, ratio, verhoudingsgetal of prestatie-indicator genoemd. Ook wordt in verschillende theorieën een onderscheid gemaakt tussen ken- en stuurgetallen. Kengetallen worden ingezet vanuit een diagnostische invalshoek. Stuurgetallen wordt ingezet om vanuit een nulsituatie en bijbehorende streefwaarden de richting van het beleid aan te ge-ven. Zowel ken- als stuurgetallen geven de verhouding weer tussen twee of meer groothe-den. Een kengetal kan daarmee zowel een absoluut getal als een ver¬houdingsgetal zijn.

Kernvermogen
Het aandelenkapitaal plus de reserves van een onderneming. Deze term wordt alleen in de financiële sector gebruikt.

Ketenzorg
(begrip uit de zorgsector)
De bedoeling van ketenzorg is dat de zorg goed op elkaar is afgestemd. Bijvoorbeeld van eerste lijnszorg naar tweedelijnszorg en andersom. Bijvoorbeeld als iemand uit een zieken-huis weer naar huis gaat en daar verzorging behoeft en dat krijgt.

Koers
Prijs die voor een effect (aandeel, obligatie) genoteerd wordt.

Koers-winstverhouding
Met dit kengetal wordt duidelijk hoeveel maal de winst per aandeel moet worden betaald om dat aandeel te kunnen kopen. Dit is sterk afhankelijk van het moment en de beurs waar het aandeel staat genoteerd. Daarmee is het meer een verwachting die de beleggers hebben ten aanzien van de resultaten van de onderneming. Concreet geeft het kengetal inzicht in hoe-veel geld beleggers willen betalen voor één euro jaarlijkse winst.

Formule: Aandelenkoers
Koers-winstverhouding =

netto winst per gewoon aandeel

Kosten
De term kosten kan in verschillende betekenissen voorkomen omdat het in de verschillende vakgebieden (bijvoorbeeld externe en interne verslaglegging, juridisch, kostencalculaties) verschillende wordt gedefinieerd. Het gaat veelal om de opgeofferde waarden in een organi-satie. Hiermee wordt bedoeld alle bestedingen in een organisatie maar ook alle middelen die verloren gaan, gebruikt worden, enzovoort, bedoeld om opbrengsten in een organisatie te genereren. Kosten vormt een begrippenpaar met Opbrengsten.

Kostencalculatiesystemen
In zijn algemeenheid is er een driedeling te maken in systemen/methoden om kosten te calcu-leren. De systemen zijn verschillend op basis van de wijze waarop de kosten worden toege-wezen aan kostendragers en de verfijndheid van het systeem:
– variabele kostencalculatiesystemen (direct costing of marginale kostencalculatie);
– traditionele integrale kostprijsberekeningsystemen (absorption costing, commercile kostprijs of standaardkostprijs);
– activity-based costing-systemen (ABC).

Kostencentrum
Dit is een verantwoordelijkheidscentrum waarin medewerkers kosten beheersen, maar de opbrengsten of het investeringsniveau niet beheersen. De prestaties worden geëvalueerd door de werkelijke kosten van het centrum te vergelijken met de beoogde of standaardkosten voor de hoeveelheid en het soort werk dat wordt verricht.

Een verantwoordelijkheidscentrum geeft aan in welke mate de manager van dat centrum op-brengsten, kosten, winst of rentabiliteit van het geïnvesteerd vermogen beheerst. Accoun-tants (en in lijn daarmee ook anderen) delen verantwoordelijkheidscentra in vier typen in: kos-tencentra, opbrengstencentra, winstcentra en investeringscentra. Deze centra kunnen werkmaatschappijen zijn of onderdelen van werkmaatschappijen. Daarnaast kunnen deze onderdelen meer of minder bevoegdheden hebben.

Kostendekkingsgraad
Vaak kan vanuit de exploitatierekening (rekening van baten en lasten) worden vastgesteld in hoeverre de gemaakte kosten worden gedekt door opbrengsten.

Kostendrager
Een activiteit waarover kosteninformatie wordt verzameld en waar een gebruiker van de fi-nancieel-economische informatie iets over wil weten. Meestal is een kostendrager een pro-duct, maar in principe kan een kostendrager alles zijn waarvoor de bepaling van de kosten gewenst is. Voorbeelden zijn: de kosten van een product of de dienst aan een klant of de kosten van een locatie.

Kostentoerekening
Een verdeling van de kosten die voor producten zijn gemaakt. Deze kosten kunnen op ver-schillende wijzen worden toegerekend aan (meestal) de kostendragers (of kostenplaatsen). Dit wordt ook wel kostenverbijzondering genoemd.

Kostenvoet voor het eigen vermogen (cost of equity)
Deze kostenvoet (of rendement) bestaat uit twee elementen:
1. een risicovrije voet
2. een risicopremie
De kostenvoet van het eigen vermogen kan worden uitgelegd als een zogenaamde opportu-nity cost. Een investeerder heeft meerdere alternatieven voor het beleggen van zijn ver-mogen. Het kiezen voor het ene alternatief betekent dat hij het mogelijke rendement op het al-ternatief misloopt.

Kostprijs
Kosten berekent per eenheid product.
Integrale kostprijs: alle kosten (de vaste en variabele kosten) worden in de berekening op-genomen.
Variabele kostprijs: er wordt alleen gekeken naar de variabele kosten, bijvoorbeeld ingeval van extra productie bij dezelfde vaste kosten.
Standaardkostprijs: hierbij wordt bij de berekening van de kostprijs uitgegaan van stan-daardhoeveelheden en standaardprijzen.

Kredietrisico
Het risico dat een debiteur zijn schulden niet kan betalen.

Kwaliteitskosten
Kosten die bestaan uit de som van de kosten om de kwaliteit te verbeteren of te handhaven en de kosten wegens het ontbreken van voldoende kwaliteit. Onderzoek toont aan dat dit on-geveer 5 tot 10% van het omzetcijfer is.
Er zijn drie hoofdcategorieën:
Preventiekosten: kosten om te voorkomen dat een prestatie afwijkt van de norm, bijvoor-beeld kwaliteitsplanning, training, procesbeheersing.
Beoordelingskosten: kosten die worden gemaakt om afwijkingen op te sporen, bijvoorbeeld controlesystemen, inspecties.
Faalkosten: kosten die worden gemaakt om afwijkingen te verhelpen, bijvoorbeeld uitval, herstel en wachttijden. In dit geval voorbeelden van interne faalkosten. Boetes, garanties, imagoverlies zijn voorbeelden van externe faalkosten.

Lang vreemd vermogen
Verplichtingen tot (terug)betaling op langere termijn (langer dan één jaar). Omvat langlopende leningen en eventuele voorzieningen op langere termijn.

Lasten
Alle (geld)bedragen die in de loop van het jaar leiden tot een afname van het eigen vermogen. De lasten staan credit in de boekhouding, net zoals de betalingen per kas of giro. Het gaat om alle kosten in een winst- en verliesrekening (in scontrovorm). Lasten vormt een begrippen-paar met baten.

Latentie
Dit heeft betrekking op een fiscale post. Dit kan bijvoorbeeld zowel een latente belastingver-plichting of een belastingvordering zijn. Deze voorziening is nodig in verband met te verwach-ten (toekomstige) belastinglasten die reeds dit jaar is ontstaan (het waarderingsverschil van dit jaar). Het heeft dan betrekking op de afwijkende fiscale waardering van activa en passiva ten opzichte van de bedrijfseconomische waardering.

Leasing
De wijze van financiering van productiemiddelen. Bij leasing wordt de contractant aan het eind van de periode niet automatisch eigenaar, maar verkrijgt een optie om het goed tegen een la-ge prijs te kopen of de lease voort te zetten tegen een sterk verlaagde leaseprijs.

Operational lease. Het economisch risico wordt gedragen door de verhuurder (de lessor).
Financial lease. Het risico wordt gedragen door de huurder (de lessee).

Operational lease staat niet in de balans, maar wel bij de ‘niet uit de balans blijkende verplict-hingen’ en ligt dicht tegen huur aan. Financial lease ligt dit tegen koop aan en staat wel in de balans.

Leencapaciteit
Mogelijkheden die een onderneming heeft om nieuw vreemd vermogen aan te trekken.

Lening o/g
Een manier om vreemd vermogen aan te trekken is het sluiten van een lening. Dit wordt meestal voor een periode langer dan één jaar gedaan, waardoor het tot het lang vreemd ver-mogen behoort. O/g betekent in dit geval: opgenomen geld.

Lening u/g
U/G betekent in dit geval: uitgeleend geld, het vermogen dat de onderneming heeft uitgeleend.

Levenscyclus (van een product)
De fasen die een product over het algemeen qua omzet doorloopt: de aanloopfase, de groei-fase, de verzadigingsfase en de afbouwfase.

Levensduur
De verwachte nuttige gebruiksduur van een duurzaam productiemiddel waarover de aan-koopprijs zal moeten worden afgeschreven ten laste van de resultatenrekening.
– Economische levensduur. De periode waarin het productiemiddel economisch verantwoord gebruikt kan worden, dus rekening houdend met de opbrengsten en de (onderhouds)kosten ervan.
– Technische levensduur. De periode waarin het productiemiddel technisch kan functioneren.

Leveraged buy out (LBO)
Dit heeft betrekking op de wijze waarop een overname wordt gefinancierd. De koopprijs (of-tewel liquiditeitsbehoefte) wordt gefinancierd met relatief veel vreemd vermogen (vandaar de term Leveraged) De financierder krijgt hiervoor een aantal zekerheden. De overgenomen on-derneming dient dit later terug te betalen. De activa van de overgenomen onderneming wor-den veelal als onderpand voor de leningen gebruikt. Zie ook Buy out.

Leverancierskrediet
De leverancier heeft al geleverd, maar de koopprijs hoeft pas later betaald te worden.

Libor
London Interbank Offered Rate. Dit is het basisrentepercentage waartegen banken elkaar geld uitlenen. Er zijn 9 soorten Libors (waaronder dollar en euro). Libor is het meest gebruikte referentietarief in de internationale geldmarkt en is vastgesteld door een onafhankelijke orga-nisatie: de BBA (British Bankers’ Association). De ontwikkeling van de Euro-Libor loopt onge-veer parallel met de Euribor-rente.

Life cycle costing
De kosten voor de volledige productlevenscyclus worden geraamd en opgeteld, om te bepa-len of de winst die tijdens de productiefase wordt gemaakt, de kosten dekt die in de pre- en postproductiefase worden gemaakt. Bedoeld om inzicht te krijgen in de financiële consequen-ties van de ontwikkeling en fabricage van een product en identificatie van de punten waarop kostenverlaging het meeste effect zal scoren.

LIFO-systeem
Methode van voorraadwaardering: last in first out. Wat het laatst is ingekocht cq geprodu-ceerd, wordt geacht het eerst te zijn verkocht of gebruikt.

Lijfrente
Inkomsten die gedurende een bepaalde periode of levenslang worden genoten door de lijfren-tetrekker (degene die de lijfrente ontvangt).

Liquidatiewaarde
Waarde van een onderneming bij ontbinding of opheffing van de onderneming.

Liquide middelen
Kasgeld, bank- en girosaldi.

Liquiditeit
Geeft aan in hoeverre een onderneming in staat is aan haar verplichtingen op korte termijn te voldoen. Een negatieve liquiditeit van een onderneming kan uiteindelijk leiden tot betalingspro-blemen. Liquiditeit hoeft geen probleem te zijn als er voldoende solvabiliteit is om nieuwe liqui-diteit aan te trekken (en daarmee is het een lastige meter). De liquiditeitspositie van een on-derneming wordt doorgaans uitgedrukt in de current ratio of quick ratio.

Liquiditeitsbalans
Op de balans zijn de activa en passiva gerangschikt naar de mate van liquiditeit om dit te be-nadrukken wordt soms de term liquiditeitsbalans gebruikt om dit te benadrukken. Zie Balans.

Liquiditeitsbegroting
Een begroting waarbij de doelstelling is ervoor te zorgen dat op elk moment voldoende liquide middelen aanwezig zijn om de begrote activiteiten te kunnen uitvoeren. Het is een begroting van in- en uitgaande geldstromen gedurende een bepaalde periode.

Liquidatiewaarde van een onderneming
Bij liquidatie van een onderneming worden de bezittingen, vaak per opbod, verkocht. De waarde van de onderneming is dan de verkoopopbrengst minus de kosten van liquidatie (waaronder personeelskosten en uitstaande schulden).

Lumpsum
(begrip uit de overheidssector)
Financiële regeling van de overheid waarbij instellingen (bijvoorbeeld voortgezet onderwijs), die gefinancierd worden door de overheid, jaarlijks een bedrag krijgen op basis van het aantal prestaties (bijvoorbeeld aantal leerlingen dat ingeschreven staat bij de onderwijsinstelling) waarmee zij alle activiteiten moeten financieren. Er is dus geen aparte pot voor deelterreinen zoals huisvesting, ict en personeelslasten, maar de middelen zij voor alle deelterreinen sa-mengevoegd. De directie heeft daardoor de vrijheid om te beslissen over de verdeling van de middelen over de deelterreinen. Zie ook Output-financiering.

M&O-beleid
(begrip uit de overheidssector)
M&O staat voor Misbruik en Oneigenlijk gebruik. M&O-beleid is het geheel van maatregelen dat een minister neemt om misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving zoveel mogelijk te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken.

Maatschap
Rechtsbetrekking tussen twee of meer personen, die zich bij overeenkomst verplichten om iets (vermogen, arbeid) in gemeenschap te brengen met het doel om daarmee in onderlinge samenwerking een voordeel te behalen en dat onder elkaar te verdelen. De deelnemers aan deze rechtsbetrekking noemt men maten. De maten zijn, ieder voor een gelijk deel, met hun privé-vermogen aansprakelijk voor schulden. Inschrijving in Handelsregister is m.i.v. 1 januari 2008 verplicht. Zie ook Stichting, Vereniging, Vennootschap onder Firma (VOF), Commandi-taire vennootschap (CV), Coöperatieve Vereniging, Besloten Vennootschap (BV) en Naamlo-ze Vennootschap (NV).

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm) die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken. De juridische structuur is voor de zorgsector van belang i.v.m. de vorming van zorg- en facilitaire BV’s, concernvorming, et cetera.

Maatschappelijk kapitaal
Het maximale (nominale) aandelenkapitaal dat een NV of BV volgens de statuten kan plaat-sen. Een deel van het maatschappelijk kapitaal kan ongeplaatst blijven (niet uitgegeven).

Maatschappelijk kapitaal minus nog niet uitgegeven aandelen = Geplaatst kapitaal.
Geplaatst kapitaal minus nog niet opgevraagd kapitaal = Opgevraagd kapitaal.
Opgevraagd kapitaal minus nog niet gestort kapitaal = Gestort kapitaal.

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)
Met MVO wordt de aansluiting met de maatschappij gemaakt. Een groot aantal organisaties beschouwt MVO als een open en transparante manier van zakendoen, gebaseerd op ethi-sche waarden en met respect voor alle stakeholders.

Maatstafconcurrentie
(begrip uit de zorgsector)
Een methode waarbij partijen in de non-profitsector worden afgerekend op basis van hun re-latieve prestaties ten opzichte van andere, soortgelijke partijen. Het wordt daarmee een maatstaf met een maximum op de gemiddelde prijs per dbc en is primair bedoeld als instru-ment voor betere prijs-kwaliteitverhouding en efficiënter werken. Op dit moment lijkt het een tijdelijk mechanisme binnen de Nederlandse gezondheidszorg te zijn dat geleidelijk door vrije onderhandelingen over prijzen vervangen moet worden.

Management accounting
Dit vakgebied houdt zich bezig met het verschaffen van relevante informatie voor besluitvor-ming, planning, control en prestatiemeting. Ook wel interne verslaglegging genoemd.

Management buy-out (MBO)
Overname van een (deel van een) onderneming door de zittende leiding en eventueel ander personeel, al dan niet met hulp van financiering van buitenaf.

Management by exception (MBE)
Het principe dat het management alleen gevraagd wordt richting te geven wanneer daartoe aanleiding is. De aansturing van het management op uitschieters, afwijkingen van de plan-ning.

Management by Objectives (MBO)
MBO berust op het bepalen van doelstellingen voor elke werknemer en deze doelstellingen als basis te nemen voor voortgangsgesprekken (vergelijken en aanspreken). MBO beoogt de organisatiedoelen en de doelen van de medewerkers op één lijn te brengen.

Management-audits (performance-audits, value for money audits)
Deze analyses/processen houden het managementsysteem tegen het licht en richten zich op de volgende aspecten van de prestaties van de onderneming.
Dat zijn de:
– aard en het functioneren van het systeem;
– doelmatigheid en efficiency;
– effectiviteit van de prestaties.

Management control
Management control omvat de beïnvloeding van het beslissingsgedrag van andere mana-gers.

Managing for Value
Managing for Value is een instrument dat ondernemingen gebruiken voor maximale waarde-creatie. De aandeelhouders een hoger rendement op hun investeringen bieden dan het ge-middelde rendement van andere ondernemingen. Dit is een instrument dat door de organisa-tie gebruikt wordt voor het meten van de resultaten en voor de allocatie van de beschikbare middelen aan die activiteiten die op lange termijn de hoogst economische winst genereren. Voorbeeld van methoden die hiervoor geschikt zijn: Quality Function Deployment, Waarde-analyse, Failure Mode Effect Analysis en Design for Manufacturing and Assembly.

MARAP (MAnagement RAPortering)
(begrip uit de overheidssector)
De MARAP is een voortgangsrapportage van een organisatie. Het management rapporteert de stand van zaken rond ontwikkelingen alsmede de financiële stand van zaken van de or-ganisatie. Zie ook BERAP.

Marginale kosten
De marginale kosten zijn de kosten die één extra product of eenheid met zich brengt. Als de variabele kosten constant zijn, zijn de marginale kosten gelijk aan de variabele kosten. De winst is maximaal als de marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten.

Het verschil tussen de marginale en incrementele kosten ligt in het feit dat de marginale kos-ten betrekking hebben op één extra eenheid en de incrementele op een groep extra eenhe-den.

Marginale kostencalculatie
Zie direct costing of kostencalculatiesystemen

Marginale opbrengsten
De marginale opbrengst is de opbrengst die één extra product of eenheid met zich mee-brengt. De marginale opbrengst is gelijk aan de verkoopprijs. De winst is maximaal als de marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten. Bij een grotere afzet zouden de margi-nale kosten namelijk hoger zijn dan de marginale opbrengst en dan zou een extra product verlies opleveren.

Het verschil tussen de marginale en incrementele opbrengsten ligt in het feit dat de marginale opbrengsten betrekking hebben op één extra eenheid en de incrementele op een groep extra eenheden.

Marktmechanisme
Het voortbrengen van producten en diensten kan plaatsvinden in de marktsector en publieke sector. Het marktmechanisme gaat uit van rechtstreekse ruil van exclusieve, geïndividuali-seerde eigendomsrechten. Prijzen spelen in dit ruilproces een belangrijke rol. Zie ook bud-getmechanisme.

Master Services Agreement (MSA)
De MSA is een overeenkomst tussen twee partijen waarbij de mate van dienstverlening door partijen in een contract wordt vastgelegd. Een voorbeeld is de IT-dienstverlening. Een aantal bedrijven maakt gebruik van externe IT-leveranciers. De wederzijdse verwachtingen en de mate van dienstverlening worden dan in een MSA vastgelegd. Een MSA wordt veelal in relatie gebracht met een SLA (service level agreement). Een MSA kan echter uit een aantal SLA’s bestaan. Indien een organisatie zowel MSA als SLA als termen gebruikt, is de SLA de meer concretere invulling van dienstverlening (b.v. per product of dienst).

Matchingbeginsel
Dit beginsel gaat uit van het principe dat bij de waardering en bepaling van het resultaat niet het moment van betaling of ontvangst bepalend is, maar dat kosten- en opbrengstentoereke-ning van een periode moet plaatsvinden. Met andere woorden: uitgaven en ontvangsten moe-ten worden toegerekend aan de periode waarop ze betrekking hebben. Zie Jaarrekening.

Materieelbeheer
(begrip uit de overheidssector)
Het materieelbeheer van een ministerie behelst de zorg voor alle niet-geldelijke zaken, vanaf het moment van ontvangst tot aan het moment van afstoting.

Materiële vaste activa
Tastbare vaste activa, zoals gebouwen en machines.

Maturity factoring
Overdragen van de vorderingen op de afnemers aan een factormaatschappij, waarbij deze de overgedragen vorderingen uitbetaalt aan de onderneming op of vlak na de vervaldatum van de vorderingen.

Meerjarenbegroting
Financiële weergave van de langetermijnplannen van een onderneming. Een meerjarenbegro-ting heeft betrekking op een periode van drie of meer jaren en heeft een globaal karakter.

Meerjarenbeleidsplan
De meerjarenstrategie wordt uitgewerkt in meerjarenbeleidsplannen. Hierbij wordt de strategie vertaald op het niveau van bedrijfseenheden, werkmaatschappijen, ondersteunende diensten en/of sectoren. De meerjarenstrategie is dan aangevuld met de specifieke aspecten van de eenheid/sector (de sector- en eenheidsplannen). Hiermee wordt de meerjarenstrategie geïn-tegreerd in de onderliggende strategische plannen. Zie ook Meerjarenstrategie.

Meerjarenstrategie
Een organisatie ontwikkelt een meerjarenstrategie. Hierin worden de missie, visie en het stra-tegisch beleid voor de organisatie uiteengezet. De focus van deze plannen is vaak 3 tot 5 ja-ren. Dit wordt vaak strategisch plan of business plan genoemd. Zie ook Meerjarenbeleids-plan.

Mezzanine
Mezzanine financiering is financiering door middel van tussen- of mengvormen van vreemd en eigen vermogen. De term wordt veelal gebruikt als een verzamelbegrip voor ingewikkelde constructies waarin verschillende vormen van aandelen uitgegeven worden en verschillende vormen van leningen gesloten worden. Het betreft het gebruikt van financiele instrumenten zoals achtergestelde leningen en preferente aandelen die de kern vormen van een gemengde financieringsstructuur bestaande uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen. Deze fi-nancieringsvorm wordt veel gebruikt door participatiemaatschappijen en bij Management Buy Outs (MBO).

Middellange lening
Lening met een looptijd van 1 tot 10 jaar.

Minderheidsbelang van derden
Een onderneming wordt gewoonlijk gefinancieerd met eigen en vreemd vermogen. In con-cernverband, waarbij de moeder niet alle aandelen in bezit heeft, is sprake van financiering van de dochter. Op dat moment bestaan drie soorten vermogen: eigen vermogen, vreemd vermogen en andermans vermogen (dochter). Het eigen vermogen en het andermans ver-mogen stellen het totale groepsvermogen voor.

In deze definitie is alleen de technische regel van de jaarrekening uitgelegd. Daarbij is niet ge-keken hoe moet worden omgegaan met consolideren van deelnemingen.

Minimumwaarderingsregel
Stelregel dat voor de waardering van voorraden op de balans de historische kostprijs of de marktwaarde wordt aangehouden, al naargelang de laagste van de twee. De winsten worden pas geboekt wanneer ze ook werkelijk gemaakt worden, maar als de marktwaarde kleiner is dan de kostprijs wordt verlies geboekt (op dat moment een afwaardering).

Moedermaatschappij
Houdstermaatschappij die de uiteindelijke zeggenschap heeft over alle tot de groep behoren-de maatschappijen. Een moederonderneming oefent zeggenschap uit over een dochteron-derneming op basis van direct en/of indirect aandelenbezit.

Monetaire activa en passiva
De activa van een onderneming kunnen verdeeld worden in verschillende categorieën. De monetaire activa (netto werkkapitaal) neemt de korte termijn activa (geld, bankrekening, debi-teuren en voorraden) als basis en trekt daar de korte termijn schulden (crediteuren, korte termijn leningen) van af.

Een andere theoretische verklaring is dat de monetaire activa en passiva worden omgere-kend tegen de koers per balansdatum. Tot de monetaire activa worden dan gerekend de posten Debiteuren en Liquide middelen. De monetaire passiva bestaan uit de posten korte termijn leningen en Crediteuren.

Door het verschil in benadering (zoals dat bij elke definitie is) is het bij het bespreken van de-ze post daarom essentieel te vragen naar een nadere definitie

Naamloze vennootschap (NV)
Een ondernemingsvorm waarvan het vermogen van de vennootschap verdeeld is in aande-len. Iedere vennoot, meestal aandeelhouders genoemd, neemt deel voor één of meer aande-len. De aandeelhouders lopen slechts risico voor het deel van het bedrag van hun deelne-ming. In de leiding van de NV wordt voorzien doordat de aandeelhoudersvergadering één of meer directeuren (bestuurders) benoemt. De NV is een rechtspersoon, hetgeen betekent dat hij een juridische zelfstandigheid heeft, met eigen vermogen losstaand van de persoon van de aandeelhouders. In de statuten van de vennootschap worden de spelregels die van toepas-sing zijn beschreven. In tegenstelling tot een Besloten Vennootschap zijn de aandelen vrij verhandelbaar (met uitzondering van aandelen op naam). Daartoe zijn de aandelen ter beur-ze genoteerd, hierop zijn uitzonderingen mogelijk (bijvoorbeeld een NV die van de beurs ge-haald is maar niet omgezet wordt naar een andere ondernemingsvorm). Zie ook Maatschap, Stichting, Vereniging, Vennootschap onder Firma (VOF), Commanditaire vennootschap (CV), Coöperatieve Vereniging en Besloten Vennootschap (BV).

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm)die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken. De juridische structuur is voor de zorgsector van belang i.v.m. de vorming van zorg- en facilitaire BV’s, concernvorming, et cetera.

Nacalculatie
Het berekenen van de verschillen tussen de geplande uitkomsten en de feitelijke realisaties.

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)
(begrip uit de zorgsector)
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is de spil in het Nederlandse stelsel van marktwerking van de zorg: de onafhankelijk toezichthouder op de zorg. De NZa komt voort uit het College tarieven gezondheidszorg (CTG) en het College toezicht zorgverzekeringen (CTZ) en ont-leent haar taken aan de WMG dit op 1 oktober 2006 van kracht is geworden. Naast de klas-sieke taken van de CTG en CTZ, vervult de NZa ook een aantal nieuwe taken. De NZa houdt toezicht op het gedrag van alle zorgaanbieders en zorgverzekeraars op de curatieve en langdurige zorgmarkt en kijkt of zij de wet naleven. De NZa stelt regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor marktwerking vast, die geheel of gedeeltelijk geliberaliseerd kunnen worden. Zie ook CVZ, CIZ en WMG.

Negatieve hypotheekverklaring
Een verklaring waarmee de geldnemer (hypotheekgever) zich tegen de geldverstrekker (hy-potheeknemer) verbindt de onroerende zaken niet ten behoeve van derden als zekerheid te stellen. Vaak wordt dit in combinatie met de positieve hypotheekverklaring afgesproken. Bij deze positieve hypotheekverklaring verklaar de geldnemer zich bereidt om, zodra de geld-verstrekker dit wenst een hypotheekverklaring t.b.v. de geldverstrekker op het onroerend goed te vestigingen. Op deze manier blijft de waarde van de onroerende zaak voor de geld-verstrekker gereserveerd.

Netto Contante Waarde (NCW)
Met de NCW wordt gekeken naar de waarde van het geld in de toekomst, rekening houdend met een verwacht rendement. Met één euro op dit moment kan meestal meer worden ge-kocht dan met dezelfde euro over tien jaar (o.a. ten gevolge van de inflatie). Maar het lenen van één euro op dit moment betekent dat de euro de komende jaren terugbetaald moet wor-den plús de verschuldigde rente. Bij de investeringsbeslissing (wel of niet investeren), is het van belang rekening te houden met de tijdwaarde en het renderen van geld.

Voorbeeld: een bedrag x wordt geleend tegen r% rente. Na één jaar moet x(1 + r) terugbe-taald worden. Immers: bedrag x wordt na één jaar x + x.r = x(1+r). Na twee jaar: x(1+r) + x(1+r)r = x(1+r)2 enzovoort (rente over rente betalen, de zogenaamde samengestelde inte-rest).

Bij het rangschikken van projecten of investeringen op basis van NCW, kiest men de pro-jecten met de hoogste NCW eerst.

LET OP DEZE MACHTEN MOETEN GOED STAAN; SUBSCRIPTEN
Formule: I = investering
KS t KS t + 1 KS = kasstroom
NCW = – I +
+
r = gewenst rendement
( 1 + r ) t ( 1 + r ) t + 1 t = het jaar

Norm: Is de NCW > 0 kan het project worden aanvaard.

Netto operationeel resultaat (NOPAT)
De Net Operating Profit After Tax (NOPAT) wordt ook het netto operationele resultaat ge-noemd. Daartoe wordt naast de netto winst na belastingen ook interest (rente) in aanmerking genomen maar dan alsof op deze interest (rente) ook belasting wordt betaald. Voor onder-nemingen die geen schulden hebben, en dus geen rente betalen, is de NOPAT gelijk aan de Netto Winst. Oftewel, de NOPAT geeft het netto operationele resultaat dat een organisatie zou behalen, na belastingen, als de onderneming geen schulden zou hebben.

De vraag is wat dit toevoegt aan het beeld van de onderneming. Op het eigen vermogen in de onderneming wordt de belasting geheven. Op vreemd vermogen wordt deze belasting ook geheven maar die valt buiten de onderneming, bij de verschaffers van het vreemd vermogen zelf. Het resultaat van het eigen vermogen voor en na belasting komt in de ondernemingscij-fers tot uitdrukking. Het resultaat op het vreemd vermogen na belasting komt niet in die on-dernemingscijfers naar boven. Dit is vooral van belang in concernverband. De wijze waarop de dochter door de moedermaatschappij is gefinancierd, moet namelijk geen invloed hebben op het beeld van de prestaties van de dochter. De NOPAT is op dat moment handig omdat die zorgt dat de belastingdiscriminatie (tussen winst en rente, verschillende belastingbehan-delingen) in de cijfers wordt geneutraliseerd. Voor de ongelijke belastingpresentatie wordt een berekening gemaakt (NOPAT) waardoor een netto getal ontstaat ongeacht of het de moe-dermaatschappij financiert met eigen vermogen of leningen aan de dochter.

Zie Return On Net Assets (RONA)

Netto positie
(begrip uit de overheidssector)
Het saldo van afdrachten aan en ontvangsten uit de EU-begroting.

Netto toegevoegde waarde
Omzet van de onderneming exclusief btw verminderd met de kosten van grond- en hulpstof-fen, diensten van derden en overige bedrijfskosten (met uitzondering van lonen, salarissen, sociale lasten en interestkosten vreemd vermogen). Zie ook toegevoegde waarde.

Netto winstmarge
In dit kengetal wordt de relatie gelegd tussen de behaalde winst (na belasting) en de omzet. Dit wordt ook de nettowinst genoemd. Het berekende percentage geeft inzicht in de verhou-ding tussen de kosten die nodig waren om de opbrengst te behalen en de opbrengst zelf. De nettowinst is gelijk aan de winst n rente en belasting.

Formule: netto winst
Netto winstmarge = x 100%

omzet

Netto-omzet
Opbrengst uit levering van goederen en diensten onder aftrek van kortingen, omzetbelasting (btw), restituties, schadevergoedingen en dergelijke.

Nettovermogenswaarde
Deze methode wordt in principe gebruikt voor het waarderen van deelnemingen. De grond-slagen van waardering van de deelneming zelf zijn hierbij het uitgangspunt. De nettovermo-genswaarde is het vastgestelde bedrag (totale activa minus schulden en voorzieningen) aan eigen vermogen van de onderneming waarin wordt deelgenomen.

De Wet op de jaarrekening gaat uit van drie verschillende waarderingsstelsel: 1. historische kostprijs, 2. de actuele waarde en 3. de netto vermogenswaarde. De waardering kan betrek-king hebben op zowel de activa als de passiva.

Nettowerkkapitaal
Zie Werkkapitaal.

Nettowinst
Winst na aftrek van belastingen. Betekent een aanwas van het eigen vermogen voor zover de netto winst niet wordt uitgekeerd.

New Public Management (NPM)
(begrip uit de overheidssector)
Een verzamelnaam voor de concrete maatregelen die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw ter verbetering van de bedrijfsvoering in overheidsorganisaties zijn genomen. Hierbij spelen twee basisgedachten: marktconforme bedrijfsvoeringsmodellen en een verschuiving van het besturen van handelen naar prestaties.

Niet-collectief gefinancierd vrij vermogen
(begrip uit de zorgsector)
De indeling van de reserves in collectief gefinancierd en niet-collectief gefinancierd is geba-seerd op de bronnen waaruit het vermogen afkomstig is (al dan niet met collectieve middelen gefinancierde activiteiten). De splitsing van het eigen vermogen vloeit voort uit de wens van de Minister van VWS om inzicht te houden in de bestemming van de collectieve middelen. Onder het niet-collectief gefinancierd vrij vermogen worden alle vrij besteedbare reserves opgenomen, die niet zijn ontstaan uit resultaten uit een collectief gefinancierde bekostigings-bron waarvan door de regelgevende instanties in de zorgsector is aangeduid, dat ze niet voortkomen uit subsidie- en/of zorggebonden c.q. collectief gefinancierde activiteiten. Als voorbeeld kan gelden de algemene reserve, indien deze aan de gestelde criteria voldoet, en overige reserves, die ontstaan uit eigen vrije, niet onder de collectieve zorggefinancierde val-lende activiteiten. Zie ook het Collectief gefinancierde gebonden vermogen en Reserve aan-vaardbare kosten (RAK).

Niet-geconctracteerde zorg
(begrip uit de zorgsector)
In geval van niet-gecontracteerde zorg heeft de verzekeraar geen contract gesloten met de betreffende zorgaanbieder. De patiënt kan zelf bepalen naar bijvoorbeeld welk ziekenhuis of apotheek hij of zij gaat. De rekening dient na afloop ingediend te worden bij de zorgverzeke-raar (z.g. restitutieverzekering).

Niet-geconsolideerde deelnemingen
Afhankelijk van de mate van zeggenschap in de deelnemingen zal een onderneming deze deelnemingen wel of niet moeten consolideren. Als deelnemingen niet worden geconsolideerd worden deze op de balans gepresenteerd onder de beleggingscategorie (indien de primaire activiteit voor deelnemen beleggen is) of onder niet-geconsolideerde deelnemingen. Vaak be-treft dit minderheidsdeelnemingen. Zie ook consolidatie van deelnemingen.

Niet-vreemde vermogen
(begrip uit de zorgsector)
Met het niet-vreemde vermogen wordt het geheel van eigen vermogen en voorzieningen be-doeld. Dit is een breder begrip dan de RAK, omdat ook andere reserves en voorzieningen hieronder vallen.

Nominale waarde aandelen
De nominale waarde is de waarde die vermeld staat op een verhandelbaar waardepapier zo-als een aandeel of obligatie. Dit is hetzelfde als de waarde van de aandelen die in de statuten van een NV staat vermeld. Deze waarde wijkt gewoonlijk af van de handelswaarde of beurs-koers.

Nominalisme
Zie Substantialisme.

Normale bezetting
De gemiddelde (verwachte) bezetting gedurende een aantal toekomstige perioden van de aanwezige productiecapaciteit in mensen en middelen.

Normering
(begrip uit de overheidssector)
Methode om greep te krijgen op de overheidsuitgaven en het gedrag bij de besluitvorming over de overheidsfinanciering in de gewenste richting te beïnvloeden. Bij deze methode wor-den normen gesteld voor de uitgavengroei dan wel voor het toelaatbare uitgavenpeil.

Obligatielening
Dit is een lening waarvan de hoofdsom is opgesplitst in gelijke delen, de obligaties, verschul-digd aan één of meerdere obligatiehouders. De meest voorkomende obligatie is een lening waarbij er voor een bepaalde periode een vaste rente wordt gegeven. Er bestaan diverse soorten obligaties:
” Inkomstenobligatie: je ontvangt alleen rente als de onderneming dat toelaat.
” Winstdelende obligatie: geeft naast een lage vaste jaarlijkse rentevergoeding recht op een deel van de winst.
” Premieobligatie: ontvangt een lage jaarlijkse rente, maar maakt bij de aflossing kans op een hoge premie.
” Geïndexeerde obligatie: de rentevergoedingen en aflossingen zijn deels afhankelijk van het verloop van bepaalde indexcijfers.
” Zero bonds: langlopende obligaties waarop geen rente wordt afgelost omdat deze al in de aankoopprijs van de obligatie is verrekend.
” Eurobonds: deze worden geplaatst via een internationale groep van tussenpersonen.
” Vreemde-valutaobligaties: zijn in Nederland uitgegeven maar luiden in vreemde valuta.
” Pandbrieven: gewone obligaties, uitgegeven door een hypotheekbank.
” Floating rate notes: obligaties met een variabele rentevergoeding, die is gekoppeld aan de marktrente ontwikkeling.
” Perpetual notes: niet-aflosbare obligaties.
” Commercial paper: kortlopende obligaties.
” Lions: obligaties waarop in plaats van rente een aandeel of certificaat van een aandeel ontvangen wordt.
” Converteerbare obligatie: een obligatie die na verloop van tijd kan worden omgewisseld in aandelen.

Octrooi
Wettelijk recht om een uitvinding te exploiteren. Hoort bij de immateriële activa.

Off Balance Sheet verplichtingen
Deze verplichtingen hebben geen relatie met een activa- of passivapost op de balans. Meestal is er een verplichting deze op te nemen in de toelichting van de jaarrekening. Een voorbeeld kunnen de leasecontracten zijn.

Offerte
Een aanbieding aan een potentiële klant tot het leveren van producten of diensten.

Old-line factoring
Overdragen van de vorderingen op de afnemers aan een factormaatschappij, waarbij deze een groot gedeelte van de overgedragen vorderingen direct bij de overname uitbetaalt aan de onderneming.

Omgekeerde converteerbare obligatielening
Hier heeft niet de belegger het recht om de obligatie in aandelen om te wisselen, maar mag de uitgevende instelling (meestal een bank) beslissen of zij in geld of op een andere manier, zo-als betaling in aandelen, aflost.

Omloopsnelheid
Geeft de frequentie aan waarmee een bepaalde grootheid circuleert, bijvoorbeeld omloop-snelheid van de voorraad of van het vermogen afgezet ten opzichte van de omzet van de onderneming. Omloopsnelheid en omlooptijd zijn elkaars omgekeerde.

Omloopsnelheid van de totale activa
In dit kengetal gaat het om het aantal keren dat de totale activa (vastgelegd in euro’s) in een bepaalde periode (jaar) is omgezet. Anders gezegd: hoeveel omzet ontvangt een onderne-ming gemiddeld per jaar terug per geïnvesteerde euro? Hiervoor wordt ook de term ‘omloop-snelheid van het totale vermogen’ gebruikt.

Formule: netto jaaromzet
Omloopsnelheid totale activa =

totale activa

Omloopsnelheid van het eigen vermogen
De omloopsnelheid van het vermogen geeft inzicht in de efficiency van het vermogensge-bruik: hoe efficiënt wordt het aan de onderneming beschikbaar gestelde vermogen ingezet? In het algemeen geldt: hoe hoger de omloopsnelheid van het vermogen, hoe efficiënter er van het beschikbare vermogen gebruik wordt gemaakt.

Formule: omzet
Omloopsnelheid van eigen vermogen =

eigen vermogen

Omloopsnelheid van het totale vermogen
In dit kengetal wordt gewerkt met het gemiddeld geïnvesteerde totale vermogen (totale passi-va of het balanstotaal). In dit kengetal gaat het om de doelmatigheid van het aangewende vermogen. Hoe hoger dit kengetal, des te minder vermogen nodig is om een bepaalde omzet te behalen. Hiervoor wordt ook de omloopsnelheid van de totale activa gebruikt.

Formule: netto jaaromzet
Omloopsnelheid van het totale vermogen =

eigen + vreemd vermogen

Omloopsnelheid van vaste activa
Zie omloopsnelheid totale activa. In de noemer wordt de totale activa vervangen door vaste activa.

Omloopsnelheid van vlottende activa
Zie omloopsnelheid totale activa. In de noemer wordt de totale activa vervangen door vlotten-de activa.

Omloopsnelheid van voorraden
De omloopsnelheid van de voorraden geeft aan hoe lang de voorraden in het magazijn liggen opgeslagen. Hoe hoger de uitkomst van deze ratio des te korter liggen de voorraden opge-slagen en komt het in de voorraden geïnvesteerde vermogen beschikbaar en hoe ruimer li-quiditeit (liquide middelen) van de onderneming.

Formule: kostprijs omzet
Omloopsnelheid van voorraden =

voorraden

Omlooptijd
Is de duur waarmee een bepaalde grootheid één keer doorloopt/omloopt. Zie ook omloop-snelheid. Omloopsnelheid en omlooptijd zijn elkaars omgekeerde.

Omlooptijd crediteuren
Deze tijd is te definiëren als de tijd die gemiddeld verstrijkt tussen het inkopen van toeleve-ranciers en het betalen van de rekening daarvan. Deze omlooptijd is voor een leverancier van belang in het kader van zekerheden en risico´s.

Formule: crediteuren
Omlooptijd crediteuren = x 365 (in dagen)

inkopen op rekening

Norm: 30 tot 60 dagen (landenspecifiek).

Vanuit de jaarrekening zonder interne gegevens, is deze post nauwelijks te berekenen omdat de jaarrekening niet de inkopen op rekening bevat maar slecht totale kosten en omzetten. En daarom wordt voor de berekening soms in plaats van ‘inkopen op rekening’ de omzet per jaar gebruikt, de uitkomst is daarmee wel afwijkend van de oorspronkelijke formule.

Omlooptijd debiteuren
Deze tijd is te definiëren als de tijd die gemiddeld verstrijkt tussen het ontstaan van de vorde-ring op de afnemers (de klanten) en het innen van de gelden daarvan. Concreet, wat is de krediettermijn die de onderneming toestaat?

Formule: debiteuren
Omlooptijd debiteuren = x 365 (in dagen)

omzet op rekening
Norm: 30 tot 60 dagen.

Omzet
De verkopen van een onderneming tegen factuurbedragen, exclusief btw. Daarmee is de omzet het totaal van de opbrengsten voor een onderneming uit de gewone bedrijfsvoering.

Omzetsnelheid van de voorraad
Aantal malen dat de gemiddelde voorraad in een jaar is verkocht of omgezet, ofwel: omzet gedeeld door gemiddelde voorraad per jaar.

Onderhanden werk
Werk dat nog niet voltooid is.

Onderhandse lening
Langlopende lening die verstrekt wordt door voornamelijk institutionele beleggers, buiten de vermogensmarkt om.

Onderlinge waarborgmaatschappij (OWM)
Een Onderlinge Waarborgmaatschappij (OWM) is een coöperatieve verzekeraar. Verzeker-den zijn doorgaans eveneens lid van de vereniging. Een ledenraad controleert het bestuur. Er zijn geen aandeelhouders. Behaalde winst komt dan ook ten goede aan de verzekerden. De winst kan direct worden uitgekeerd of worden verrekend in de premie. De meeste verzeke-raars Onderlinge Waarborgmaatschappijen zijn uitsluitend lokaal actief en genieten daardoor weinig naamsbekendheid. Enkele bekende Onderlinge Waarborgmaatschappijen: Univé, CZ, Agis Zorgverzekeringen en Menzis.

Ondernemend vermogen
Vermogen waarvan de vergoeding afhankelijk is van de gemaakte winst. Eigen vermogen of risicodragend vermogen.

Ondernemingskamer
De ondernemingskamer vormt een gespecialiseerd onderdeel van het Gerechtshof te Am-sterdam. Bij de Ondernemingskamer zijn zowel juridisch geschoolde medewerkers als des-kundigen, die niet tot de rechtelijke macht behoren, werkzaam. De deskundigen worden be-noemd door de Minister van Justitie. De ondernemingskamer bestaat per zitting uit drie leden van het Gerechtshof en twee deskundigen. In de Ondernemingskamer worden zaken be-handelt die betrekking hebben op het ondernemingsrecht. Voorbeeld is het afhandelen van het beroepsrecht rond het adviesrecht en het enquêterecht.

Ondernemingsplan
Het geheel van geplande activiteiten en begrote financiële gegevens (voorgecalculeerde ba-lans en resultatenrekening, enzovoort) waarin het ondernemingsbeleid voor een aantal toe-komstige jaren tot uitdrukking komt.

Ondernemingsvorm
Juridische vorm (rechtsvorm) waarin een onderneming gedreven wordt.

Onderpand
Waarborg/zekerheidstelling voor de verschaffer van vreemd vermogen.

Onverdeelde winst
Gerealiseerde winst waarover nog beslist moet worden of ze ingehouden zal worden dan wel uitgekeerd.

Onvolkomenheid of ernstige onvolkomenheid
(begrip uit de overheidssector)
De Algemene Rekenkamer spreekt van een onvolkomenheid wanneer sprake is van een overschrijding van de kwalitatieve tolerantiegrenzen die zij hanteert bij de beoordeling van de bedrijfsvoering van een departement. Of een onvolkomenheid als ernstig wordt gekwalifi-ceerd hangt af van de frequentie van voorkomen en de zwaarte van de onvolkomenheid.

Onzeker (onzekerheden)
(begrip uit de overheidssector)
De Algemene Rekenkamer kwalificeert financiële informatie als onzeker wanneer zij door on-volkomenheden in het financieel beheer niet kan vaststellen of bepaalde verplichtingen, uitga-ven of ontvangsten rechtmatig zijn of deugdelijk zijn weergegeven.

Oormerken
Uitgaven of inkomsten die geoormerkt worden, mogen uitsluitend aan het doel waarvoor ze gegeven zijn worden besteed.

Opbrengsten
Aan perioden, producten enzovoort toegerekende geldontvangsten in verband met de ver-koop of levering van producten en/of diensten. Opbrengsten vormt een begrippenpaar met Kosten.

Opbrengstencentrum
Dit is een verantwoordelijkheidscentrum waarvan de medewerkers de opbrengsten kosten beheersen. Zij hebben geen controle over de productie- of acquisitiekosten van de producten of diensten die zij verkopen of de omvang van de investeringen in het verantwoordelijkheids-centrum.

Een verantwoordelijkheidscentrum geeft aan in welke mate de manager van dat centrum op-brengsten, kosten, winst of rentabiliteit van het geïnvesteerd vermogen beheerst. Accoun-tants (en in lijn daarmee ook anderen) delen verantwoordelijkheidscentra in vier typen in: kos-tencentra, opbrengstencentra, winstcentra en investeringscentra. Deze centra kunnen werkmaatschappijen zijn of onderdelen van werkmaatschappijen. Daarnaast kunnen deze onderdelen meer of minder bevoegdheden hebben.

Opbrengstwaarde
Waarde die een kapitaalgoed kan opleveren door verkoop (z.g. directe opbrengstwaarde) of gebruik in het productieproces (z.g. indirecte opbrengstwaarde). Zodra de directe op-brengstwaarde groter is dan de indirecte opbrengstwaarde is er aanleiding om te overwegen het kapitaalgoed te verkopen.

Open reserve
Reserve waarvan de omvang en het bestaan uit de balans af te leiden zijn.

Openbare emissie
Uitgifte van aandelen via de effectenbeurs.

Openeindefinanciering
(begrip uit de zorgsector)
Een financieringssysteem waarin alle verrichtingen en alle verpleegdagen worden betaald.

Operational expenditure (OPEX)
De OPEX-kosten (exploitatiekosten) zijn gericht op operationele uitgaven in een onderne-ming. Zie ook CAPEX.

Operational lease
De ouderwetse vorm van leasen. Hierbij wordt periodiek (vaak maandelijks) een leaseprijs betaald voor het gebruik van het activa. Het economisch en juridisch eigendom (en dus ook de bijbehorende risico’s zoals veroudering) blijven bij de verhuurder (de lessor).

Operationeel risico
Het risico van directe of indirecte schade als gevolg van fouten van medewerkers of falende of inadequate processen en systemen.

Operationele activiteiten
Activiteiten die men in het kader van de dagelijkse bedrijfsvoering uitvoert.

Operationele baten
Totale baten, exclusief niet-operationele posten.

Operationele lasten
Totale lasten, exclusief niet-operationele posten.

Operationele nettowinst
Nettowinst die voortkomt uit de normale ondernemingsactiviteiten, dus zonder eventuele bij-zondere resultaten (de z.g. niet-operationale resultaten).

Opportunitykosten
Kosten die betrekking hebben op gemiste kansen (gederfde opbrengsten) die ontstaan door-dat de uitvoering van het ene alternatief de uitvoering van een ander alternatief onmogelijk maakt. Het zijn daarmee fictieve kosten maar daarmee wel van belang voor beslissingscalcu-laties.

Opslagduur van de voorraad
De opslagduur is een graadmeter om de optimale voorraad te berekenen. De opslagduur geeft aan hoeveel dagen de producten gemiddeld in het magazijn liggen. Zie omloopsnelheid en omlooptijd.

Formule: gemiddelde voorraad
Opslagduur van de
voorraad = x 365 (in dagen)

kostprijs van de jaaromzet

Opslagmethode
Bij de opslagmethode, ook wel toeslagmethode genoemd, worden de indirecte kosten uitge-drukt in een percentage van de directe kosten.

Output-financiering
(begrip uit de overheidssector)
Een kenmerk van (o.a.) een baten-lastendienst waarbij de inkomsten geheel bestaan uit ver-goedingen voor geleverde diensten. Het is daarmee een financiële regeling van de overheid waarbij instellingen (vooral hoger onderwijs), die gefinancierd worden door de overheid, jaar-lijks een bedrag krijgen op basis van (bijvoorbeeld) het aantal diploma’s dat zij uitreiken. In principe is dit een vorm van financiering die naast andere financieringswijzen kan bestaan, maar ook als enige financieringsvorm is toe te passen. De directie heeft de vrijheid om te be-slissen over de verdeling van de middelen over verschillende bestemmingen zoals huisves-ting, personeelszaken en ict, mede afhankelijk van de andere financieringsvormen die al dan niet van toepassing zijn op de instelling. Zie ook Lumpsum.

Overall Equipment Effectiveness (OEE)
OEE is een systematiek om op basis van doelgerichte metingen de optredende effectiviteit van een machine of een productielijn inzichtelijk te maken. De basisgedachte is dat de effecti-viteit van een machine bepaald wordt door een aantal oorzaken die geheel verschillend van aard zijn:
1. Omsteltijd.
2. Storingstijd.
3. Niet draaien op maximale snelheid.
4. Korte stops.
5. Procesafval.
6. Afkeur van producten.

OEE = Beschikbaarheid x Prestatie x Opbrengst

In het onderstaande schema wordt de relatie tussen de verschillende factoren gelegd.

Overdrachtsuitgaven
(begrip uit de overheidssector)
Overdrachtsuitgaven zijn uitgaven aan personen of instellingen in de vorm van – onder ande-re – subsidies en (specifieke) uitkeringen, waarvoor geen tegenprestaties in de vorm van le-vering van goederen of diensten worden gevraagd.

Overheadkosten
Kosten die worden toegerekend aan kostendragers kunnen worden verdeeld in twee catego-rieën: directe en indirecte kosten. Indirecte kosten worden soms ook overheadkosten ge-noemd.

Overige gegevens
Onder de Overige gegevens zijn onder andere opgenomen de accountantsverklaring en het voorstel tot winstbestemming. De Overige gegevens zijn een onderdeel van het Financieel verslag. Zie Financieel verslag.

Overlopende activa
Dit zijn door de onderneming vooruitbetaalde of nog te ontvangen posten, die geheel of ge-deeltelijk betrekking hebben op het volgende boekjaar. Het kunnen vorderingen zijn in de vorm van producten of diensten. Voorbeelden zijn: de verzekeringspremie (wordt één jaar vooruitbetaald), opgebouwde rente op een vordering, voorschotten op salarissen, enzovoort.

Overlopende passiva
Dit zijn door de onderneming nog te betalen kosten, die geheel of gedeeltelijk betrekking heb-ben op het verstreken boekjaar. Het zijn aanspraken van anderen op de onderneming die pas in het volgende boekjaar inbaar zijn of verschuldigd worden. Voorbeelden zijn: opge-bouwd vakantiegeld van medewerkers of opgebouwde rente.

Overlopende posten
Ook wel transitoria genoemd. Hiermee wordt het samenspel van overlopende passiva en overlopende activa bedoeld.

Paragrafen
(begrip uit de overheidssector)
In de begroting en jaarstukken wordt gedoeld op een nadere uitleg van bepaalde aspecten als grondbeleid, financiering, onderhoud en bedrijfsvoering.

Pari
In de effectenhandel een aanduiding voor 100% van de nominale waarde van een obligatie of een aandeel. Indien de beursnotering van een obligatie meer bedraagt dan de nominale waar-de, dan staat zij boven pari; bedraagt ze minder dan staat zij beneden pari. Staat zij precies gelijk dan wordt gesproken over a pari.

Passiva
De passiva bestaan uit het eigen en vreemd vermogen alsmede de voorzieningen van de on-derneming. Op de balans worden aan de rechterkant/creditzijde (scontrovorm) de passiva weergegeven.

Pay-out ratio
Kengetal dat aangeeft welk deel van de winst wordt uitgekeerd als dividend.

Permanence
In de boekhouding wordt gewerkt met grootboekrekeningen. Bij de toepassing van de perma-nence (de l’inventaire et des profits et des pertes) wordt uitsluitend gewerkt met zuivere grootboekrekeningen (een rekening van schuld, een rekening van bezit of een hulprekening van het eigen vermogen). Deze werkwijze in de boekhouding maakt het mogelijk vrijwel per-manent een resultatenrekening op te stellen, bijvoorbeeld per week, maand of kwartaal.

Planning-controlcyclus
Dit is de jaarlijkse cyclus waarbij als eerste wordt nagedacht over het strategisch beleid, de langetermijnplanning. Dit wordt vertaald in jaarplannen, begrotingen en budgetten. Deze plan-nen worden vertaald in activiteiten die in het komende jaar worden uitgevoerd. Elke maand en ieder kwartaal wordt vervolgens gekeken of de organisatie nog steeds op de goede weg zit (rapportage en evaluatie). Zonodig wordt de onderneming in de juiste richting bijgestuurd. Kortom:
Planning is formulering van algemene doelstellingen, dit concretiseren en het scheppen van voorwaarden om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Control is beheersen van de uitvoering.

Portfolioanalyse
Een analyse van de economische positie van de producten van de onderneming. Marktaan-deel en verwachte marktgroei worden met elkaar gecombineerd. Zie BCG-matrix.

Positieve hypotheekverklaring
Zie Negatieve hypotheekverklaring.

PPM
Deze term kan meerdere betekenissen hebben:
Project Portfolio Management: de activiteit waarbij prioriteiten worden gesteld en de beno-digde faciliteiten worden bepaald. Hierbij gaat het vooral om de lopende en nieuwe pro-jecten (projectplannen) die voortvloeien uit het totaal van de businessplannen (afgeleid van de organisatiestrategie) binnen een organisatie. Concreet: de integrale sturing van de pro-jectportefeuille.
Parts Per Million ook wel Stuks per Miljoen: dit wordt gemeten uiteindelijk de uitval te me-ten.

Precariorechten
(begrip uit de overheidssector)
Uitgaande van de financiële kant van de overheid wordt met precariorechten bedoeld de be-lasting die aan de gemeente moet worden betaald voor het benutten van openbare zaken of plaatsen. Bijvoorbeeld het café dat voor de consumenten tafels en stoelen op het voetpad zet.

Preferente aandelen
Een preferent aandeel is een gewoon aandeel met bepaalde voorkeursrechten. Deze voor-keursrechten houden in dat de preferente aandelen voorgaan vóór de gewone aandelen bij de winstverdeling en/of bij de verdeling van het liquidatiesaldo.

Prestatie-indicator
Zie Kengetal.

Prestatiegegevens
(begrip uit de overheidssector)
Prestatiegegevens zijn kwantitatieve of kwalitatieve indicatoren waarmee de minister inzicht biedt in de door hem gerealiseerde beleidsresultaten. Onder prestatiegegevens kunnen zowel effect(indicator)en als informatie over de prestaties van de overheid worden verstaan.

Prestatiemeting
Prestatiemeting is een containerbegrip voor het toepassen van een systeem ter meting van kengetallen of indicatoren. Het doel is het meten en evalueren van bereikte resultaten.

Preventiesector
(begrip uit de zorgsector)
Preventie in brede zin omvat ziektepreventie, gezondheidsbevordering en gezondheidsbe-scherming. Ziektepreventie is ziekte of gezondheidsproblemen voorkomen voordat de ziekte ontstaat of in de beginfase van een ziekte, voordat er ziekteverschijnselen zijn. Ziektepreven-tie wordt zowel in de eerste- als in de tweedelijns toegepast. Op grond van de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid is het ook een taak van de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD, nuldelijns). Zie ook Caresector en Curesector.

Prijselasticiteit van de vraag
De prijselasticiteit van de vraag geeft inzicht in de samenhang tussen de vraag naar een pro-duct/dienst en de prijs. Stel dat de prijs met 1% stijgt, met hoeveel procent zal de vraag naar dat product/dienst dan dalen. De economische leer stelt dat de vraag daalt bij een stijging van de prijs. Een omgekeerde prijselasticiteit zal in het klein wel kunnen voorkomen, maar niet gekeken over een groter geheel (b.v. als mensen er snel bij willen zijn, het blijvend laten stij-gen zal niet gaan werken). Per saldo gaat het om de relatieve verandering.

Prijsindexcijfer voor materiele kosten
(begrip uit de zorgsector)
Een ziekenhuis (bijvoorbeeld) heeft wettelijke budgetten voor de financiering van de patiën-tenzorg. Deze budgetten worden jaarlijks aangepast op basis van indexatiecijfers voor loon en materiele kosten. De materiële kosten en de investeringen in inventaris voor zorginstellin-gen worden trendmatig aangepast op basis van het prijsindexcijfer particuliere consumptie uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau. Het definitieve percentage voor een bepaald jaar wordt pas begin april van dat jaar bekend bij de publicatie van het CEP. De indexering wordt in april/mei met terugwerkende kracht naar 1 januari in de budgetten verwerkt en door een inhaaltoeslag in de tarieven verrekend. Zie ook Prijsindexcijfer voor personele kosten.

Prijsindexcijfer voor personele kosten
(begrip uit de zorgsector)
Een ziekenhuis (bijvoorbeeld) heeft wettelijke budgetten voor de financiering van de patiën-tenzorg. Deze budgetten worden jaarlijks aangepast op basis van indexatiecijfers voor loon en materiele kosten. De indexering van de personele kosten gebeurt op basis van een per-centage dat de overheid vaststelt: de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA). Het Centraal Planbureau berekent het percentage op basis van de CAO’s en loon-kostenontwikkeling in de markt. Het OVA-percentage is meestal in mei bekend en wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari in de budgetten verrekend. Dit kan tot een inhaaltoeslag leiden. Zie ook Prijsindexcijfer voor materiele kosten.

Private equity fonds
Bedrijven die meestal delen van niet-beursgenoteerde bedrijven opkopen; ze beleggen in het eigen vermogen (aandelen ofwel equity) van deze particuliere (private) bedrijven. Vaak is hun uiteindelijke doel de meerderheid in het bedrijf te krijgen. Als ze eenmaal de zeggenschap hebben, proberen ze door het aanpassen van de strategie en de leiding de winstgevendheid of de waarde van het bedrijf te verbeteren. Na een aantal jaren verkopen ze het bedrijf door met forse winst. De laatste jaren kopen de private equity fondsen ook (delen van) beursgeno-teerde bedrijven op. Het betreffende bedrijf wordt vervolgens van de beurs gehaald. Zie ook hedgefondsen.

Pro-memorieverplichting (PM)
Dit zijn verplichtingen die voortvloeien uit overeenkomsten waarvan zowel de prestatie van de ene partij als de tegenprestatie van de andere partij plaatsvinden na de balansdatum, bijvoor-beeld meerjarige huur- en pachtovereenkomsten en leasing. Het verschil tussen deze ver-plichting en schulden is het tijdstip waarop de betalingsverplichting ontstaat.

Procuratiehouder
Letterlijk: gevolmachtigde van een onderneming. In een organisatie moet duidelijk zijn wie welke verantwoordelijkheden heeft en wie waarover beslissingen mag nemen. In de kern gaat het om de tekeningsbevoegdheid. Voorbeeld: een teamleider mag beslissingen nemen en te-kenen tot een bedrag van € 2.500,=, een lid van het managementteam tot een bedrag van € 10.000,= en de directeur moet boven een bedrag van € 250.000,= een investeringsverzoek indienen bij de aandeelhouders of raad van bestuur.

Product
Een product is een voortbrengsel van verrichte arbeid dat overdraagbaar is aan andere per-sonen. Door een bedrijf verrichte arbeid brengt een product voort dat vervolgens aan klanten verkocht en geleverd kan worden. Het product gaat over in het bezit van de klant. De klant is zelf weer in staat het product te verkopen of uit te lenen aan derden. Zie ook Dienst.

Productie
Het omzetten van productiemiddelen in producten, waardoor ze (beter) in de behoeften van de gebruiker kunnen voorzien.

Productiemiddelen
Middelen (zoals arbeid, machines, grondstoffen en energie) die nodig zijn om producten te kunnen maken.

Productiviteit
De verhouding tussen productie en hoeveelheid hiervoor gebruikte productiemiddelen.

Programmaoriëntatie
(begrip uit de overheidssector) Dit kengetal geeft aan welk deel van de totale kosten een or-ganisatie maakt ten behoeve van de taken waarvoor zij is opgericht (de overige kosten zijn kosten van de eigen organisatie). Programmaoriëntatie wordt berekend door de kosten voor programma’s te delen door de totale kosten.

Projectfinanciering
Bij projectfinanciering krijgt een organisatie, eventueel naast de structurele subsitie, subsidie op basis van het indienen en uitvoeren van projecten.

Proportioneel variabele kosten
Variabele kosten die recht evenredig stijgen of dalen met veranderende bedrijfsdrukte.

Publiceren van het financieel verslag
Het openbaar maken van het financieel verslag van de onderneming. Zie ook Deponeren jaarrekening.

Publiek-Private Samenwerking (PPS)
(begrip uit de overheidssector)
PPS is een samenwerkingsvorm tussen een overheid en een of meer private ondernemin-gen. In tegenstelling tot de openbare aanbesteding, waarbij de aanbestedende overheid de uitvoering gedetailleerd vastlegt in een bestek en/of Programma van Eisen (PvE), bemoeit de overheid zich bij PPS-constructies niet met de inhoud en stuurt volledig op het gewenste eind-resultaat (de ‘output’). Op deze wijze hebben de marktpartijen alle vrijheid om naar eigen in-zicht de uitvoering (de ‘input’) vorm te geven. Op die manier wordt door de Rijksoverheid ge-bruik gemaakt van de denk- en innovatiekracht van de markt.

Quick ratio
De verhouding tussen de activa die op korte termijn in geld zijn om te zetten en de verplichtingen die op korte termijn moeten worden voldaan. Bij de quick ratio zijn de voorraden buiten beschouwing gelaten omdat deze minder snel (geforceerd) te gelde kunnen worden gemaakt. De quick ratio wordt ook wel Acid Test genoemd. Kortlopende schulden worden ook wel vlottende schulden of vlottende activa genoemd.

Formule:

(vlottende activa -/- voorraden)

Quick ratio

=

kortlopende schulden

Raad van bestuur (RvB)
Orgaan binnen een rechtspersoon dat belast is met de dagelijkse leiding en met de planning op lange en korte termijn.

Raad van commissarissen (RvC)
Orgaan binnen een NV of BV dat toezicht houdt op de raad van bestuur en gevraagd of ongevraagd adviezen verstrekt.

Raad van Toezicht (RvT)
Orgaan binnen stichtingen en verenigingen dat toezicht houdt op de raad van bestuur en gevraagd of ongevraagd adviezen verstrekt. Zie Raad van commissarissen (RvC)

Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ)
In Nederland zijn door de RJ richtlijnen voor de jaarverslaggeving ontwikkeld. De RJ is een privaatrechtelijk orgaan waar representanten van vraag en aanbod van informatie samenkomen: verschaffers van informatie (op voordracht van onder andere VNO-NCW), gebruikers van informatie (op voordracht van onder andere FNV en CNV) en controleurs van informatie (op voordracht van onder andere het NIVRA). De richtlijnen zijn bedoeld als invulling van de normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. Het heeft daarmee geen wettelijke status, maar het afwijken dient weliswaar met goede redenen omkleed te worden, maar hoeft niet in de jaarrekening te worden vermeld.

Rabat
Korting voor afnemers veelal op basis van volume afname.

RAK-ratio
(begrip uit de zorgsector)

Formule:

Reserve aanvaardbare kosten

Rak-ratio

=

Wettelijk budget aanvaardbare kosten

Rationalisatie-investeringen
Investeringen die bedoeld zijn om het productieproces rationeler in te richten (bijvoorbeeld via automatisering), vaak met het oog op de besparing van arbeidskosten.

Realisatiebeginsel
Resultaten worden opgenomen in het boekjaar waarin ze zijn gerealiseerd. Doordat ook het voorzichtigheidsbeginsel moet worden toegepast, geldt dit realisatiebeginsel alleen volledig voor winsten. Verliezen daarentegen moeten door het voorzichtigheidsbeginsel moeten worden opgenomen in het boekjaar waarin ze bekend zijn geworden, ook al vindt de realisatie van dit verlies pas na het boekjaar plaats. Realisatie houdt niet in dat de onderneming de contraprestatie in de vorm van geld moet hebben ontvangen maar dat zijn een prestatie moet hebben geleverd en dat er voldoende zekerheid moet bestaan met betrekking tot de geldontvangsten. Zie Jaarrekening.

Rechtmatig
Een uitgave van geld is rechtmatig als dit geld is uitgegeven voor het doel waarvoor het bestemd was. Zie ook Doelmatig.

Rechtspersoon
Zelfstandig lichaam met eigen rechten en plichten en een afzonderlijk vermogen.

Rekening-courant
Lopende rekening, bijvoorbeeld tussen een onderneming en een bank. De onderneming kan naar behoefte (tot een bepaald kredietplafond) geld opnemen.

Rendement
Het resultaat over een bepaalde periode in verhouding tot het geïnvesteerde kapitaal.

Rentabiliteit
Winstgevendheid:

> Rentabiliteit van het eigen vermogen (REV): nettowinst gedeeld door het eigen vermogen.

> Rentabiliteit van het totale vermogen (RTV): bedrijfsresultaat gedeeld door het totale vermogen.

Soms wordt ook de term rendabiliteit gebruikt. Ondanks een eventueel nuanceverschil in betekenis wordt hiermee rentabiliteit bedoeld en worden in de praktijk deze begrippen door elkaar gebruikt.

Rentabiliteit op geïnvesteerd vermogen
Zie return on investments (ROI).

Rente
Interest. Vergoeding voor het (uit)lenen van geld.

Rentedekkingsgetal
Dit wordt ook wel interestdekkingsgetal genoemd. Dit kengetal geeft aan hoeveel keer de onderneming haar rentelasten verdient. Dit geeft een indicatie van de beleidsruimte in het ondernemingsbeleid. Oftewel, hoe ver kan de winst dalen zonder in financiële moeilijkheden te komen en dus de rentelasten nog kan dragen. Als de onderneming afwijkt van de normen die banken hieraan stellen, zal het erg lastig worden om opnieuw aan (additioneel) vreemd vermogen te komen.

Formule

bedrijfsresultaat (= EBIT)

Rentedekkingsgetal

=

betaalde rente

Norm: 3 tot 5.

Rentemarge
Het verschil tussen de gemiddelde ontvangen rente over de uitgezette gelden en de rente die de bank betaalt over de aangetrokken gelden.

Renterisico
Het renterisico is de mate van onzekerheid waarin en de richting van wijzigingen in de rente (rentebewegingen) en/of rentestructuur. Bij grote financiële transacties speelt dit een belangrijke rol.

Renteswap
Een transactie tussen twee partijen waarbij ze een vaste en variabele renteverplichting op afgesproken hoofdsommen in eenzelfde valuta gedurende een bepaalde looptijd ruilen. Deze overeenkomsten worden aangegaan om financieringskosten te reduceren of een bescherming tegen renterisico’s aan te gaan.

Rentevoet van het vreemd vermogen (RVV)
Dit kengetal geeft aan wat het aangetrokken vreemd vermogen gemiddeld gekost heeft. De interestkosten worden ook rentelasten genoemd.

Formule:

interestkosten

Rentevoet van het vreemd vermogen (RVV)

=

x 100%

vreemd vermogen

Reserve aanvaardbare kosten (rak)
(begrip uit de zorgsector)
Zorginstellingen mogen financiële reserves aanleggen, bijvoorbeeld met het oog op toekomstige uitgaven of onvoorziene omstandigheden. In het verleden droeg de overheid financieel risico voor de instellingen, en was de maximale omvang van de reserve voor aanvaardbare kosten (rak) aan banden gelegd. Nu instellingen zelf risicodragend zijn en er sprake is van meer marktwerking in de zorg zijn grotere reserves gewenst. Daarmee kan het worden gedefinieerd als een gelabelde winstreserve, te besteden voor zorgdoeleinden. Zie Collectief gefinancierd geboden vermogen en Niet-collectief gefinancierd vrij vermogen.

De rak ratio is gedefinieerd als de verhouding tussen het collectief gefinancierd gebonden vermogen en het WTG-budget (zie WMG). Gezien de veranderingen in de zorgsector, is het lastig een norm te geven. Het RIVM geeft de ontwikkelingen hieromtrent goed aan. Uitgaande van de financiële positie van intramurale zorginstellingen binnen drie sectoren: ziekenhuizen, gehandicaptenzorg en verpleging en verzorging, is de gemiddelde rak in de drie sectoren langzaam aan het toenemen (bron: RIVM).

Reserves
Een onderdeel van het eigen vermogen. Het is belangrijk te beseffen dat reserves niet-uitgekeerde winsten kunnen zijn. Het is daarmee een uitgestelde verplichting aan of recht van bijvoorbeeld de aandeelhouders (winstreserve). Een veel gehoorde misvatting is dat reservers vrij besteedbare gelden zijn. Dit is echter niet juist. De reserves liggen vast in de activa van de onderneming. De reserves vertegenwoordigen daarom geen expliciete cashpositie. Naast winstreserve zijn er meerdere soorten:

> Winstreserve: wordt geboekt als een gedeelte van de nettowinst niet wordt uitgekeerd, maar gereserveerd wordt.

> Herwaarderingsreserve: komt tot stand in geval van herwaardering van activa.

> Agioreserve: wordt gevormd in geval van de uitgifte van aandelen boven de nominale waarde.

Residual income
Het Residual income is de overwinst die berekend wordt door van de nettowinst een redelijke vergoeding af te trekken voor het beschikbaar stellen van het eigen vermogen van de aandeelhouders. Daarmee kan bijvoorbeeld de prestatie van managers in een divisie of onderneming geëvalueerd kan worden. Omdat het een absoluut cijfer is, is het erg lastig een vergelijking te maken tussen verschillende divisies in een organisatie.

Residuwaarde
Restwaarde. Waarde die resteert na de volledige afschrijving.

Restperiode
Zie Scenario periode.

Resultatenrekening
Zie winst-en-verliesrekening.

Retributies
(begrip uit de overheidssector)
Heffingen (vanuit een gemeentelijk perspectief) met een bepaalde bestemming zoals riolering of huisvuilinzameling.

Return on investment (ROI)
Return on investment (ROI) wordt in de diverse bronnen op twee manier gedefinieerd:

1. een feitelijke rendementscalculatie vanuit investeringsstandpunt. Wat is het rendement op de investering die gedaan moet worden?

2. het rendement van de onderneming. In deze betekenis komt de ROI vaak hetzelfde gebruikt als ROIC (met een netto resultaatsbegrip).

Aan de andere kant wordt het vaak gezien als een synoniem voor andere rendementsbegrippen.

Zie Return on…

Return on Sales (ROS)
Dit kengetal geeft aan in hoeverre de verkoop van goederen en diensten rendabel is. De doelstelling van een organisatie is om op de omzet in ieder geval een marge te halen. EBIT en EBITDA zijn absolute bedragen. Als deze resultaatskengetallen in relatie worden gebracht met de omzet, kan betekenis worden gegeven aan deze getallen. De ROS geeft hieraan invulling. EBIT wordt ook wel bedrijfsresultaat genoemd. De nettowinst is het bedrijfsresultaat minus rente en belastingen. De omzet wordt ook wel bedrijfsopbrengsten genoemd. ROS kan zowel bruto (gross ROS) als netto (ROS) worden berekend. De gross ROS geeft ten opzichte van de ROS meer inzicht op operationeel niveau omdat managers in dat beeld niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor rentelasten en belasting.

Formule:

EBIT

Gross ROS

=

omzet

Formule:

netto winst

ROS

=

omzet

Return On …
Return on Equity (ROE), Return on Investment (ROI) en Return on Assets (ROA) zijn enkele van de vele rendementsbegrippen die in de praktijk worden gehanteerd. Het gemeenschappelijke van deze begrippen is dat het rendementsbegrippen zijn die allemaal een verhouding aangeven tussen een resultaat en een daarvoor benodigde vermogen; in formule:

Formule:

resultaat

Rendement

=

vermogen

Het verschil in de verschillende formules heeft betrekking op:

1. welk resultaat wordt voor de teller gebruikt? Betreft het resultaat bijvoorbeeld een bruto of een netto getal? Daarnaast wordt 2. de noemer verschillend ingevuld. Hierbij speelt welk geïnvesteerd bedrag, van toepassing is, bijvoorbeeld het eigen vermogen of het totale vermogen.

1. Welk resultaat wordt gebruikt?
Uitgaande van de winst- en verliesrekening is het eerste resultaatsbegrip het bedrijfsresultaat (ook wel EBIT of operationeel resultaat). Van dit resultaat komt een deel toe aan de verschaffers van het vreemd vermogen, de zg. rente. Hierdoor blijft de winst voor belasting over. De winst na belasting komt vervolgens toe aan de verschaffers van het eigen vermogen. Voor het resultaatsbegrip in de Return on Equity (ROE) formule wordt gewoonlijk de winst na belasting gebruikt.

Voor een ander resultaatsbegrip bedrijfsresultaat (of EBIT of operationeel resultaat) heeft het geen zin om dit aan het eigen vermogen te relateren. Deze begrippen bestaan, in tegenstelling tot de winst na belasting, nog uit rente en belasting en dit hangt met het totale vermogen samen. Dit rendement komt aan beide vermogenverschaffers (eigen en vreemd vermogen) toe. Rendementsbegrippen die deze resultaatsbegrippen hanteren, gebruiken in de noemen een totaal vermogen (zoals RTV of ROI en ROA).

2. Welk vermogen wordt gebruikt?
Het verschil tussen enerzijds RTV/ROA en ROI/ROCE/RONA anderzijds zit in het gebruik van het begrip ‘vermogen’. RTV/ROA maken gebruik van het totale vermogen (de z.g. lange balans waarbij alle activa en passiva worden meegerekend). ROI/ROCE/RONA maken gebruik van de verkorte balans (het verkorte balanstotaal is het bedrag waarover de vermogensverschaffers een vergoeding eisen, onderdelen als niet-rentedragende vlottende activa en passiva worden hierbij niet meegerekend, de korte activa en passiva worden gesaldeerd tot werkkapitaal). Het balanstotaal kan daardoor verschillen.

Het verschil tussen RTV en ROA zit enerzijds in de herkomst van het vermogen bij RTV (de totale passiva kant op de balans) en anderzijds in de vastlegging in activa (de totale activa kant op de balans) bij ROA. In de kern zijn deze bedragen gelijk. De ROI, ROCE en RONA zijn kengetallen die in principe hetzelfde effect in het bedrijf meten. Van deze identieke begrippen is de ROCE de oorspronkelijke Britse variant. Ook het verschil tussen ROCE en ROIC wordt gevormd door te denken in de actief kant (wat is aan het werk gezet; ROCE) versus het kijken naar de passiefkant (hoeveel vermogen is ingezet; ROIC).

Een andere complicatie in de gebruikte termen zit in het begrip ‘belasting’. Bij ROE wordt de winst na belasting genomen. De andere rendementsbegrippen baseren het rendement veelal op het totale vermogen. In veel gevallen is het logisch om aan te sluiten bij het bedrijfsresultaat en dat is het winstbegrip voor belastingen (en rente natuurlijk). Als je echter die rendementen na belasting zou willen meten is er een complicatie: hoe zit het met de belasting over deze rente? Deze belasting wordt immers niet in de onderneming geheven maar bij de verschaffer van het vreemd vermogen, buiten de onderneming. Daarom wordt gebruikt gemaakt van de term NOPAT. De NOPAT (netto operational profit after tax) meet het bedrijfsresultaat (of EBIT of operationeel resultaat) voor winst plus rente maar na belasting. Daarmee is het een (soort van fictief) EBIT na belasting. Het effect op het bedrijfsresultaat van alle belastingcomponenten (die zowel in de organisatie op het eigen vermogen als buiten de organisatie op het lang vreemd vermogen) worden daarmee meegewogen.

Hieronder volgen een aantal veelvoorkomende rendementsbegrippen.

a. Return On Equity (ROE)
Dit is gelijk aan het Rendement op eigen vermogen (REV).

Formule:

netto winst

ROE

=

eigen vermogen

b. Return On Assets (ROA)
Dit is gelijk aan het Rendement op Totaal Vermogen (RTV). De RTV kijkt naar de passief kant van de balans en de ROA naar de actief kant.

Formule:

bedrijfsresultaat

ROA

=

totale activa

c. Rendement op Totale vermogen (RTV)
Dit is gelijk aan Return on Assets (ROA). De RTV kijkt naar de passief kant van de balans en de ROA naar de actief kant.

Formule:

bedrijfsresultaat

RTV

=

totale passiva

d. Return on capital employed (ROCE)

Formule:

bedrijfsresultaat

ROCE

=

totale activa -/- kortlopende schulden

e. Return on invested capital (ROIC)
De ROIC dit is gelijk aan ROCE. Ook hier is het verschil tussen actief- en passiefzijde van de balans.

Formule:

bedrijfsresultaat

ROIC

=

eigen vermogen plus langlopend vreemd vermogen

f. Return On Net Assets (RONA)

Formule:

NOPAT

RONA

=

totale activa -/- kortlopende schulden

Voor de verschillende definities geldt dat de verschillende bronnen verschillende resultaten (bruto v.s. netto, voor of na belasting) gebruiken. De koppeling in de diverse bronnen van het gebruikte resultaat met het vermogensbegrip (kort of lang en eigen v.s. vreemd vermogen) is wel meestal eenduidig. De verschillende bronnen zijn dus niet consistent in het gebruik van de onderliggende begrippen. In deze begrippenlijst is daarom gekozen voor de meest voor de hand liggende definities.

Reverse take-over (omgekeerde overname)
Letterlijk: gevolmachtigde van een onderneming. In een organisatie moet duidelijk zijn wie welke verantwoordelijkheden heeft en wie waarover beslissingen mag nemen. In de kern gaat het om de tekeningsbevoegdheid. Voorbeeld: een teamleider mag beslissingen nemen en tekenen tot een bedrag van € 2.500,=, een lid van het managementteam tot een bedrag van € 10.000,= en de directeur moet boven een bedrag van € 250.000,= een investeringsverzoek indienen bij de aandeelhouders of raad van bestuur.

Rijksbijdrage
(begrip uit de zorgsector)
Een Rijksbijdrage is een geldelijke bijdrage van het rijk, in dit geval aan het Zorgverzekeringsfonds. Een voorbeeld is de rijksbijdrage voor de financiering van de premie voor kinderen jonger dan 18 jaar. Het zal duidelijk zijn dat de term Rijksbijdrage zelf een ruimer begrip is.

Risico Gewogen Activa (RGA)
(begrip uit de bankensector)
De activa van een financiële instelling vermenigvuldigd met een weging, vastgesteld door de regelgevende instanties, waarmee het relatieve risico van deze activa wordt weergegeven. Op basis van de hoogte van de naar risico gewogen activa wordt het vermogen berekend dat minimaal moet worden aangehouden.

Risicoreserve
(begrip uit de overheidssector)
Risicoreserve is in feite geen echte reserve in de zin van bedrijfseconomische reserve. De risicoreserve dient uiteindelijk in de belaste winst te worden opgenomen. Daarom kan beter gesproken worden over een voorziening. Een overschot op bijvoorbeeld ontvangsten kan in een risicoreserve wordt gestort en vervolgens worden gebruikt bij tekorten die ontstaan. Bij een winstresultaat, het verstrekken van budgetten of subsidies zijn vaak richtlijnen voorhanden waarbij de toevoeging of onttrekking aan de risicoreserve zelf niet meer mag bedragen dan een percentage van de winst, het budget of subsidie.

Risicoverevening
(begrip uit de zorgsector)
Risicoverevening is de gelijke verdeling van financiële risico’s over alle zorgverzekeraars. Door de acceptatieplicht bestaat de kans dat één of enkele verzekeraars een onevenredig groot aantal ouderen of mensen met een hoog gezondheidsrisico moet verzekeren. Om díe verzekeraars te compenseren voorziet de Zorgverzekeringswet in risicoverevening. Het geld wat daarvoor nodig is komt uit het Zorgverzekeringsfonds.

Royeerbaar certificaat
Certificaten die omgewisseld kunnen worden naar aandelen.

Sale and lease back
Dit is een speciale vorm van financial lease. Hierbij verkoopt de lessee een activum aan een lessor en huurt dit direct weer terug. Het voordeel hiervan is dat er direct geld ter beschikking komt. Wordt vaak door een onderneming toegepast om snel over geld te kunnen beschikken.

Samengestelde intrest
Rente op rente.

Sarbanes Oxley
Amerikaanse wet voor het waarborgen van betrouwbaarheid van financiële rapportages. Zie ook de code-Tabaksblat.

Scenario periode
Voor een goede waardering is het noodzakelijk reële verwachtingen van vrije geldstromen in de toekomst in kaart te brengen. Hiervoor wordt een gedetailleerde prognose gemaakt. De scenario periode is de periode waarvoor reële gedetailleerde verwachtingen gemaakt kunnen worden. Na de scenario periode vangt de restperiode aan. Deze periode wordt gekenmerkt door een stabiele situatie waarin vrije geldstromen zich stabiel ontwikkelen. Vaak is er dan een situatie dat de jaarlijkse afschrijvingen gelijk zijn aan de jaarlijkse investeringen.

Scenarioanalyse
Methode voor berekening en beheersing van onder meer mogelijke toekomstvisies. Op basis van verschillende scenarios van toekomstige wijzigingen in de omstandigheden wordt een situatie ingeschat.

Schulden
Verplichtingen (vreemd vermogen) op korte of langere termijn.

Scontrovorm (van de balans)
De naam voor de manier waarop de balans op papier staat, de horizontale balansopstelling. Bij de scontrovorm staan beide zijden van de balans naast elkaar afgedrukt: een tweekolomsopstelling. Zie ook Staffelvorm.

Sectorplan
(overheidssector)
Zie meerjarenstrategieplan.

Service Level Agreement (SLA)
Een SLA is een stelsel van afspraken over het serviceniveau of de wijze waarop diensten worden verricht. Eventueel kunnen ook prijzen en volumes worden beschreven. Bij een SLA worden de genoemde afspraken vergezeld van een stelsel van afspraken over het kwaliteitsniveau van de diensten en eventuele boete en beloningsaspecten als de afspraken niet worden nagekomen. Zie ook Dienstverleningsovereenkomst (DVO).

Share Purchase Agreement (SPA)
Een SPA is een overeenkomst tussen twee partijen, koper en verkoper, waarbij de wederzijdse verplichtingen rond b.v. een verkoop van aandelen, wordt geregeld.

Shareholders value
De toename van de economische waarde van een onderneming die het management door goed beleid kan genereren. Dit kan leiden tot een hogere dividenduitkering (afhankelijk van het dividendbeleid), maar vooral op de beurskoers van een aandeel.

Single information single audit (sisa)
(begrip uit de overheidssector) Single information houdt in dat de reguliere jaarlijkse financiële verantwoording aan het lokale bestuur ook wordt gebruikt voor de verantwoording over specifieke uitkeringen. Hierdoor hoeven provincies en gemeenten zich niet over elke specifieke uitkering te verantwoorden met een afzonderlijke verantwoording. Zij kunnen volstaan met hun reguliere jaarverslagen, met daarin een bijlage met de meest noodzakelijke informatie per specifieke uitkering. Single audit betekent dat de controle over de specifieke uitkeringen onderdeel uitmaakt van de controle van de jaarlijkse financiële verantwoording. Hierdoor hoeft de accountant geen afzonderlijke accountantsverklaring meer af te geven voor elke specifieke uitkering.

Slotdividend
Het slotdividend is het totale dividend over het gehele jaar, zoals goedgekeurd door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders, onder aftrek van een eventueel interim-dividend dat in de loop van het jaar is uitgekeerd. Het betreft een aanvulling op het interim-dividend.

Slotwet / slotwetmutaties
(begrip uit de overheidssector)
De slotwet is de laatste wet in de begrotingscyclus, waarmee de geraamde uitgaven, verplichtingen en ontvangsten formeel in overeenstemming worden gebracht met de uiteindelijke realisaties. De slotwet wordt gelijk met het jaarverslag aangeboden aan de Tweede Kamer.

Sociaal jaarverslag
Verslag van een onderneming dat betrekking heeft op het gevoerde en in de toekomst te voeren personeelsbeleid.

Social venturing
Investeren met kennis, visie en financiële middelen in projecten in een omgeving waar de noodzakelijke commerciële investeringen en ondersteuning in government gemist worden. De sociale opbrengst is niet altijd in financiële termen uit te drukken. Veelal worden een tweetal doelstellingen nagestreefd: financiële doelstellingen en sociale doelstellingen.

Solvabiliteit
Dit kengetal geeft de mate aan waarin de onderneming met eigen middelen wordt gefinancierd. Het eigen vermogen wordt opgevat als de financiële buffer voor het opvangen van ondernemingsrisico’s, de verplichtingen op de lange termijn. De solvabiliteit is een graadmeter voor de mate waarin de onderneming hiertoe in staat is. Bij de bepaling van de solvabiliteit op basis van het aansprakelijk vermogen wordt bij het eigen vermogen een aantal posten opgeteld, die mede risicodragend zijn het aandeel derden, de latente belastingverplichting en eventuele achtergestelde leningen. Het balanstotaal is het totale vermogen. Een solvabiliteit van 25% betekent dat voor elke euro die door het bedrijf is aangetrokken, 0,75 wordt gefinancierd met vreemd vermogen (schulden). Het balanstotaal komt overeen met het totale vermogen.

Formule:

eigen vermogen

Solvabiliteit

=

balanstotaal

Er zijn ook andere mogelijkheden om de solvabiliteit te berekenen. In de onderstaande formules wordt gemeten in welke mate een onderneming uit de totale waarde van de activa aan de schulden kan voldoen.

Formule:

totaal vermogen

Solvabiliteit

=

vreemd vermogen

Norm: Hoe hoger de uitkomst, des te meer solvabel is de onderneming.

Formule:

eigen vermogen

Solvabiliteit

=

vreemd vermogen

Gezien de veranderingen in de zorgsector, is het lastig hiervoor een norm te geven. Het RIVM geeft de ontwikkelingen hieromtrent goed aan. Uitgaande van de financiële positie van intramurale zorginstellingen binnen drie sectoren: ziekenhuizen, gehandicaptenzorg en verpleging en verzorging, is de gemiddelde Solvabiliteit van de zorginstellingen in 2004 8% geweest. Gegeven de lage rentabiliteit van zorginstellingen, kan de solvabiliteit slechts langzaam toenemen. Het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WfZ) kan eisen stellen rond de solvabiliteit.

Specifieke uitkering
(begrip uit de overheidssector)
Uitkering van de rijksoverheid aan een andere overheid ten behoeve van het uitvoeren van bepaalde activiteiten of het realiseren van een specifiek doel.

Staat van herkomst en besteding van middelen (SHBM)
Zie Kasstroomoverzicht.

Staffelvorm (van de balans)
De naam voor de manier waarop de balans op papier staat; verticale balansopstelling. Bij de staffelvorm staan beide zijden onder elkaar afgedrukt. In vergelijking met de scrontovorm, komt de passiefzijde in omgekeerde vorm (staffel: ‘aftreksysteem’) terug. Zie ook Scontrovorm.

Stakeholders
Stakeholders zijn de direct betrokkenen van een onderneming. De belangrijkste stakeholders die door een organisatie worden onderkend zijn vaak aandeelhouders, klanten en medewerkers.

Stakeholders value
Dit is het beleid dat het management voert, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de direct betrokkenen van een onderneming.

Standaardkosten
Dit zijn kosten die vooraf zijn bepaald. Kosten die gemaakt worden onder operationele omstandigheden die als standaard in de onderneming worden gehanteerd.

Standaardkostencalculatie
Beheersingssysteem dat ons in staat stelt de afwijkingen in het budget gedetailleerder te bekijken, waardoor er tot een effectievere beheersing gekomen kan worden. Gebruikt in een omgeving waar activiteiten routinematig of repetitieve handelingen betreffen, omdat de standaard wordt gebaseerd op ervaringen uit het verleden. Dit is slechts mogelijk voor de standaardkosten per deelproces of per verantwoordelijke.

Statutaire reserve
Reserve die door de statuten van de onderneming wordt voorgeschreven.

Stichting
Een bij notariële akte opgerichte organisatie, meestal zonder winstoogmerk / geen commercieel doel, die streeft naar een in de statuten genoemd doel. Een stichting kent in tegenstelling tot een vereniging geen leden. Een stichting streeft bepaalde doelen na, zoals het beheren van het dorpshuis, het onderhouden van een natuurgebied of het bevorderen van de culturele uitwisseling tussen twee steden (o.i.d.). Een stichting heeft net als een vereniging een bestuur en de inkomsten bestaan vaak uit schenkingen en overheidssubsidie. De stichtingsvorm wordt in de zorgsector regelmatig gebruikt. De stichting moet zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, is een rechtspersoon en volledig rechtsbevoegd. Zie ook Maatschap, Vereniging, Vennootschap onder Firma (VOF), Commanditaire vennootschap (CV), Coöperatieve Vereniging en Naamloze Vennootschap (NV).

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm) die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken. De juridische structuur is voor de zorgsector van belang i.v.m. de vorming van zorg- en facilitaire BV’s, concernvorming, et cetera.

Stille reserve
Reserve waarvan het bestaan wel, maar de omvang niet uit de balans af te leiden is.

Stille vennoot
Vennoot die niet deelneemt aan het beheer naar buiten van een commanditaire vennootschap, maar slechts geld en/of goederen in de vennootschap inbrengt. Zie ook Commanditaire vennootschap.

Stockdividend
Dividend dat uitbetaald wordt in de vorm van aandelen.

Strategisch plan
Globale omschrijving van het ondernemingsbeleid voor de lange termijn.

Structuurregeling
De Structuurregeling (1971), onderdeel van het Burgerlijk Wetboek, geldt voor rechtspersonen die gedurende minimaal drie jaren voldaan hebben aan de volgende voorwaarden:

1. meer dan 100 medewerkers bij de rechtspersoon of dochterondernemingen tezamen;

2. minimaal 16 miljoen eigen vermogen;

3. er is een ondernemingsraad ingesteld.

Een vennootschap die aan de structuurregeling voldoet wordt ook een structuurvennootschap genoemd. Op 1 oktober 2004 is de Structuurregeling herzien. In deze herziening zijn aanpassingen gedaan rond de samenstelling en benoeming van de raad van commissarissen en zijn er meer bevoegdheden aan de aandeelhouders toegekend. Verder heeft de ondernemingsraad een versterkt recht van aanbeveling gekregen (rva). Het recht van bezwaar (rvb) is vervallen. Het versterkt recht van aanbeveling geeft de c(or) de mogelijkheid voor maximaal eenderde deel van het aantal zetels van de raad van commissarissen een (feitelijk bindende) aanbeveling te doen. Zie ook Code-Tabaksblat en Commissie-Peters.

Stuurgetal
Zie Kengetal.

Subsidie
Subsidie is geld dat de overheid aan organisaties (of personen) geeft als steun voor bepaalde activiteiten.

Substance over form
Uitdrukking in de financiële wereld die aangeeft dat, ongeacht de juridische vorm waarin transacties en situaties zijn gestoken, de feitelijke economische werkelijkheid bepalend is voor de wijze waarop deze in de verslaggeving moet worden weergegeven. Het betreft hierbij het dilemma van een goede juridische vorm tegenover de economische werkelijkheid. Voor een goede verslaggeving is het nodig dat een economische transactie in de presentatie op een juiste manier tot uitdrukking komt. Zie Jaarrekening.

Substantialisme
Aanhangers van het substantialisme gaan ervan uit dat de onderneming pas winst maakt nadat het totale vermogen van een onderneming fysiek in waarde gelijk is gebleven. Dus dan moet op een of andere manier de inflatie gecompenseerd zijn voordat er sprake is van winst. Dit staat tegenover het nominalisme dat ervan uitgaat dat elke toename van het eigen vermogen als winst aangemerkt moet worden. Bij het nominalisme worden de gevolgen van inflatie buiten beschouwing gelaten.

Tabaksblat, code
De commissie-Tabaksblat (2003) heeft een aantal voorstellen gedaan om te komen tot een code voor goed bestuur. Deze code geldt voor beursgenoteerde ondernemingen. De code-Tabaksblat volgt ook de internationale regelingen, zoals voor beursgenoteerde ondernemingen in Londen (code Cadbury uit 1992) en voor Amerikaanse beursgenoteerde ondernemingen (Sarbanes Oxley act uit 2002, dit is geen code maar wetgeving) geldt. De maatschappelijke druk om dit te volgen is groot, zeker vanuit de aandeelhouders. Als belangrijkste stelregel hierbij geldt het maatschappelijke adagium: comply or explain. Zie ook de Structuurwet en Commissie-Peters

Tantimes
Aanvullende beloningen op basis van behaalde resultaten.

Target costing
De techniek die gericht is op het beheersen van de kosten in de planning- en ontwerpfase van een product.

Tear-downanalyse (reverse engineering)
Het onderzoeken van een product van de concurrent om mogelijkheden voor productverbetering enof kostenverlaging te ontdekken.

Tier-1-kapitaal
Het kernkapitaal van een bank, bestaande uit gestort aandelenkapitaal (exclusief cumulatief preferente aandelen) plus de reserves, de ingehouden winst en de belangen van derden.

Tijdstip deponeren jaarrekening
Alle bv’s, nv’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen zijn verplicht hun (vastgestelde) jaarrekening elk jaar te deponeren bij de Kamer van Koophandel. Er gelden de volgende termijnen:

> Het bestuur moet de jaarrekening binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar opmaken en ter vaststelling overleggen aan de aandeelhouders. Op grond van bijzondere omstandigheden, kunnen de aandeelhouders het bestuur hiervoor uitstel verlenen. Het maximale uitstel is zes maanden.

> De aandeelhouders hebben vervolgens twee maanden de tijd voor het vaststellen van de jaarrekening. Normaal gesproken is dit dus uiterlijk per 31 juli. Bij maximaal uitstel is dit uiterlijk per 31 januari van het volgende jaar.

> De vastgestelde jaarrekening moet binnen acht dagen na de vaststelling worden gedeponeerd bij de KvK.

Voor bv´s en nv´s met een boekjaar dat niet gelijk is aan het kalenderjaar (gebroken boekjaar), komen deze termijnen op andere data uit.

Als de jaarrekening (nog) niet is goedgekeurd door de aandeelhouders, dan moet de directie de opgemaakte jaarrekening uiterlijk zeven maanden (en bij maximale verlenging dertien maanden) na balansdatum deponeren bij de KvK. Als de jaarrekening niet (op tijd) wordt gedeponeerd, kan een boete worden opgelegd. Wordt er geen jaarrekening gedeponeerd, kan de bestuurder bij een faillissement persoonlijk aansprakelijk worden gesteld.

Zie ook Deponeren jaarrekening.

Toegevoegde waarde
Met de toegevoegde waarde wordt een verschil gemaakt tussen de marktwaarde van hetgeen geproduceerd is en de daarvoor gemaakte kosten (bijvoorbeeld ingekochte grondstoffen, materialen, diensten van derden en ingeleend direct personeel). De toegevoegde waarde drukt in essentie exact uit waarvoor de onderneming in leven is geroepen: het toevoegen van waarde aan een product of dienst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de bruto toegevoegde waarde en de netto toegevoegde waarde. In economische zin is nog interessant dat de som van alle toegevoegde waarden van alle ondernemingen en de overheid ook het binnenlands product wordt genoemd.

Toekomstparagraaf
Onderdeel van het jaarverslag waarin het bestuur van de onderneming zijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de onderneming.

Toll manufacturing
Een overeenkomst waarbij een organisatie die gespecialiseerd is in het maken van bepaalde goederen (bijvoorbeeld omdat ze speciale machines of kennis daarvoor hebben), ruw materiaal of halffabrikaten omzet in eindproducten (of nieuwe halffabrikaten) voor een ander bedrijf. Het wordt ook Toll processing genoemd.

Topklinische zorg
(begrip uit de zorgsector)
Topklinische zorg is hooggespecialiseerde zorg zoals hartchirurgie, neurochirurgie, IVF, et cetera. Hiervoor zijn relatief dure en gespecialiseerde voorzieningen nodig, veelal met een apart bekostigingskader (via de WBMV: Wet op Bijzondere Medische Verrichtingen). Deze zorg heeft doorgaans een bovenregionale functie.

Totaalrendement
Bij een aandeel het totaal van het koersresultaat (winst of verlies) en het ontvangen dividend. Bij een obligatie het totaal van het koersresultaat (winst of verlies) en de ontvangen rente.

Total quality management (TQM)
TQM is de situatie waarin alle ondernemingsfuncties betrokken zijn bij het proces van continue kwaliteitsverbetering. Dit maakt het verschil tussen een statistische kwaliteitscontrole voor het productieproces naar een klantgericht proces van continue verbetering.

Transactieresultaat
Het transactieresultaat is gelijk aan de verkochte hoeveelheid x (verkoopprijs exclusief btw min de integrale standaardkostprijs).

Transfer pricing
Vaststelling van prijzen van levering voor goederen en diensten die verschillende onderdelen van dezelfde organisatie aan elkaar berekenen. Dit moet (belastingtechnisch) overeenstemmen met prijzen die bij transacties tussen onafhankelijke partijen worden gebruikt. Op deze wijze wordt op zakelijke basis de winst toegerekend aan en belast bij het onderdeel van de organisatie waaraan de winst, zakelijk gezien, toegerekend dient te worden. Op deze wijze wordt ongewenste winstverschuiving voorkomen.

Transitiekosten
Kosten die afwijkend aan de normale gang van zaken worden gemaakt. Een voorbeeld zijn de kosten die worden gemaakt bij het samengaan of reorganiseren van organisaties. Dit kunnen bijvoorbeeld frictiekosten of desintegratiekosten zijn.

Transitoria
Zie overlopende posten.

Transmuraal
(begrip uit de zorgsector)
Transmurale afdelingen (TMA) zijn afdelingen binnen de ziekenhuismuren waar patiënten die geen ziekenhuiszorg meer nodig hebben wachten op vervolgzorg. Deze afdelingen zijn met name opgericht om doorstroming van patiënten te bevorderen en zo de verkeerde-bed-problematiek te reduceren

Treasury
Het beheren van geldstromen binnen een onderneming. De verantwoordelijke (afdeling) voor alle geldmarkt- en valutaoperaties. Het gaat hierbij om het vinden van de juiste afstemming van de financieringsstructuur op de duur van de vastlegging van de middelen in de activa, het onderhouden van contacten met de financiële instellingen, het valutabeheer en het beheer van de liquide middelen. De functionaris die hiervoor verantwoordelijk is wordt treasurer genoemd.

Trekkingsrechten
Trekkingsrechten zijn kredietfaciliteiten bij het IMF (Internationale Monetaire Fonds).

Uitbesteding
Het door een andere onderneming laten uitvoeren (van een deel) van het productieproces of activiteiten.

Uitkeringspercentage
Percentage van de uitkeerbare nettowinst dat als dividend wordt uitgekeerd.

US-GAAP
Algemeen aanvaarde afspraken, regels en procedures voor de financiële rapportage en verslaglegging door bedrijven in de Verenigde Staten. Deze principes hebben grote aantrekkingskracht op internationale bedrijven omdat daarmee opname op de VS-effectenbeurs mogelijk is. Zie ook GAAP.

Valutarisico
Het risico dat valutakoersfluctuaties de waarde van financiële instrumenten of andere activa of passiva negatief benvloeden.

Variabele kosten
Kosten die veranderen bij toenemende of afnemende bedrijfsdrukte.

Variabele kostencalculatie
Zie Direct costing of Kostencalculatiesystemen.

Vaste activa
Duurzame goederen voor langdurig gebruik in de onderneming:

> materiële vaste activa: grond, gebouwen, machines en dergelijke;

> immateriële vaste activa: octrooien, patenten, goodwill, ontwikkelingskosten en dergelijke;

> financiële vaste activa: financiële deelnemingen in andere bedrijven, langdurig uitgeleende gelden, e.d.

In principe gaat het om goederen die normaal in een onderneming langer dan één jaar gebruikt worden.

Vaste kosten
Kosten die niet veranderen met een toenemende of afnemende bedrijfsdrukte binnen een bepaalde mate.

Vaste kosten bijdrage (VKB)
Het verschil tussen de verkoopprijs en de variabele kosten.

VBTB (Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording)
(begrip uit de overheidssector)
Een ontwikkeling binnen de overheden om te komen tot een duidelijke koppeling tussen beleid, prestaties en geld, met als belangrijkste doel vergroting van de informatiewaarde en toegankelijkheid van de begroting en het jaarverslag. Het gaat hierbij om antwoord te geven op de drie W-vragen: Wat willen wij bereiken? Wat gaan wij daarvoor doen? Wat mag dat kosten? Bij het verantwoorden gaat het om drie H-vragen: Hebben wij bereikt wat wij hebben beoogd? Hebben wij gedaan wat wij daarvoor zouden doen? Heeft het gekost wat wij dachten dat het zou kosten?

Veiligheidsmarge
De veiligheidsmarge is de procentuele afstand van de omzet tot de gecalculeerde break-evenomzet. De veiligheidsmarge geeft weer hoeveel de omzet mag dalen voordat de onderneming verlies gaat leiden. Dit kengetal biedt een maatstaf voor de kwetsbaarheid van de onderneming door fluctuaties in de omzet.

Formule:

omzet -/- break-even omzet

Veiligheidsmarge

=

omzet

Vennootschap onder firma (VOF)
Een ondernemingsvorm die kan worden gezien als een bijzonder soort maatschap met als verschil dat bij de VOF de samenwerking bestaat uit het gezamenlijk uitoefenen van een onderneming onder een gemeenschappelijke naam. De deelnemers aan een VOF noemt men vennoten. Elke vennoot (ook wel eigenaren of aandeelhouders genoemd) is met zijn privé-vermogen voor het geheel van de schulden aansprakelijk. Inschrijving in het Handelsregister is verplicht. Zie ook Maatschap, Stichting, Vereniging, Commanditaire vennootschap (CV), Coöperatieve Vereniging, Besloten Vennootschap (BV) en Naamloze Vennootschap (NV).

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm) die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken.

Verantwoordingsdag
(begrip uit de overheidssector)
Ieder jaar worden op de derde woensdag van mei de departementale en niet-departementale jaarverslagen en het Financieel jaarverslag Rijk gepubliceerd. Met het jaarverslag leggen ministers verantwoording af over het door hen gevoerde (financiële) beleid en de bedrijfsvoering in het voorgaande jaar. Deze dag wordt dan ook wel Verantwoordingsdag genoemd. De Algemene Rekenkamer publiceert op Verantwoordingsdag de resultaten van haar jaarlijkse rechtmatigheidsonderzoek in de rapporten bij de jaarverslagen en het rapport bij het Financieel jaarverslag van het Rijk: Rijk verantwoordt.

Verantwoordingsstaat
(begrip uit de overheidssector)
In de verantwoordingsstaat in het jaarverslag worden per begrotingsartikel de gerealiseerde bedragen van de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten opgenomen. In de samenvattende verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten staan de baten, de lasten, het saldo van baten en lasten, de kapitaaluitgaven en de kapitaalontvangsten van de baten-lastendiensten die onder het ministerie vallen.

De vereniging
Een vereniging is een samenwerkingsvorm tussen 2 of meer personen (leden) met een gemeenschappelijk doel. Het maken van winst om onder de leden te verdelen, mag geen doel zijn. De winst moet ten goede komen aan het gemeenschappelijke doel. De hoogste macht in een vereniging ligt bij de Algemene Ledenvergadering, waar alle leden in principe 1 stem hebben. De ledenvergadering benoemt het bestuur (dat de leiding heeft over de dagelijkse gang van zaken) meestal uit haar midden. Alle verenigingen hebben rechtspersoonlijkheid. Zie ook Maatschap, Stichting, Vennootschap onder Firma (VOF), Commanditaire vennootschap (CV), Coöperatieve Vereniging en Naamloze Vennootschap (NV).

Er zijn 2 soorten verenigingen:
1. Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid.
Deze verenigingen zijn opgericht bij notariële akte, waarin de statuten zijn opgenomen. Een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid moet ingeschreven staan in het Handelsregister. Zolang dit niet gebeurt, is iedere bestuurder hoofdelijk aansprakelijk.

2. Verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid.
Dit zijn verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Deze verenigingen kunnen geen erfgenaam zijn en geen registergoederen verkrijgen. Een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid mag, maar hoeft niet te worden ingeschreven in het Handelsregister.

Onder een ondernemingsvorm wordt verstaan de juridische vorm (rechtsvorm) die aan de onderneming is gegeven. De vraag welke rechtsvorm het meest geschikt is, is een apart vraagstuk. Vaak zijn bij de keuze de volgende zes factoren van belang: aansprakelijkheid, continuïteit, leiding, financieringsmogelijkheden, fiscale consequenties en verplichtingen rond de jaarstukken. De juridische structuur is voor de zorgsector van belang i.v.m. de vorming van zorg- en facilitaire BV’s, concernvorming, et cetera.

Vermogen
De middelen (eigen vermogen en vreemd vermogen) waarmee de activa gefinancierd worden.

Vermogensbehoefte
Behoefte aan vermogen, die voortvloeit uit de omvang van de activa waarover de onderneming wenst te beschikken.

Vermogenskosten
De vermogenskosten zijn kosten (de rentevoet of winst) die aan de aantrekking van vreemd of eigen vermogen verbonden zijn.

Vermogensmarkt
Omvat de geldmarkt voor kortstondig vermogen en de kapitaalmarkt voor langdurig vermogen.

Vermogensoptimum
Zodanige verdeling van het totale vermogen over eigen vermogen en lang en kort vreemd vermogen dat de totale vermogenskosten minimaal zijn.

Vermogensstructuur
Verhouding tussen het eigen vermogen en lange en korte vreemd vermogen.

Verplichtingen
(begrip uit de overheidssector)
Een juridische verbintenis die ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking, een verbintenis of een op een controleerbare wijze vastgelegde afspraak tussen dienstonderdelen en die tot uitgaven leidt of kan leiden.

Verplichtingenstelsel
(begrip uit de overheidssector)
Bij het verplichtingenstelsel worden de opbrengsten en uitgaven in de verantwoording (bijvoorbeeld begroting) opgenomen zodra de verplichting wordt aangegeven. De betaling kan daarmee na het begrotingsjaar liggen. Zie Begrotingsstelsel.

Verplichtingen-kasstelsel (VKS)
(begrip uit de overheidssector)
Dit stelsel wordt gehanteerd bij de Rijksoverheid. Reeds enige jaren is discussie over uniformiteit binnen de gehele Rijksoverheid om over te stappen op het Baten-lastenstelsel (BLS). De rijksboekhouding is primair een kasboekhouding waarin investeringen en lopende uitgaven op gelijke wijze worden behandeld. Beide worden ze voor het volle bedrag ten laste van haar uitgaven gebracht. Tevens wordt er een overzicht van de uitstaande verplichtingen opgenomen. Zie Begrotingsstelsel.

Verschillenanalyse
Een analyse van de (oorzaken van de) verschillen tussen de werkelijke ondernemingsresultaten en de gebudgetteerde cijfers.

Verslaggeving (accounting)
Het proces van verzamelen, groeperen en verstrekken van (financiële) gegevens ten behoeve van belanghebbenden binnen en buiten de onderneming.

Vervangingswaarde
De kosten die gemaakt zouden moeten worden om het een zelfde product of productiemiddel te verkrijgen, hetzij door inkoop op de markt of door productie.

Vervroegde afschrijving
Ter stimulering van investeringen is het soms toegestaan in de eerste jaren meer af te schrijven dan gewoonlijk door de fiscus geaccepteerd wordt. Afschrijvingen zijn fiscaal aftrekbaar. Zie ook Impairment.

Vitality Index (VI)
De VI meet de effectiviteit van de innovaties in een organisatie. De VI is voor innovaties het meest geaccepteerde kengetal om deze effectiviteit te meten. De Vitality Index heeft echter geen minimale of maximale waarden omdat het afhankelijk is van de aard van de organisatie, de branche en de plaats van de organisatie in de waardeketen. Belangrijk is om te benchmarken. Uitgaande van ‘peer’ organisaties (een groep bedrijven die vergelijkbaar zijn) kan gekeken worden naar de prestaties van de eigen organisatie. Ook is het mogelijk om bijvoorbeeld te kijken naar de groei die gegenereerd is door nieuwe producten die gemaakt zijn ook de Research en Development (R&D) afdeling. Oftewel: omzet nieuwe producten gedeeld door kosten van R&D. Een meer kwalitatieve benadering is bijvoorbeeld te kijken naar het aantal patenten.

Vlottende activa
Activa die normaliter binnen één jaar in geld gerealiseerd zullen worden. Omvat onder meer kas, debiteuren en voorraden.

Vlottende passiva
Ook wel kort vreemd vermogen genoemd. Verplichtingen die binnen één jaar voldaan moeten worden.

Volatiliteit
Een statistische maatstaf voor de mate waarin marktprijzen in de tijd fluctueren. De flexibiliteit in de markt. De term wordt vaak gebruikt voor de beweeglijkheid van de aandelenkoers.

Voorschotten
(begrip uit de overheidssector)
Vooruitbetalingen door het Rijk in verband met door een derde aan het Rijk te leveren producten, te verlenen diensten of te verrichten werken of vooruitbetalingen van het Rijk op een aan een derde verstrekte aanspraak op een subsidie, bijdrage of lening of op een aanspraak uit hoofde van een verstrekte garantie.

Voorraadtermijn
De gemiddelde doorlooptijd van de voorraden, uitgedrukt in dagen. Evenals de debiteuren dienen de voorraden gedurende de doorlooptijd te worden gefinancierd met eigen of vreemd vermogen.

Formule:

voorraden

Voorraadtermijn

=

x 365

inkoopwaarde van de omzet

Voorraden
Grondstoffen, hulpmaterialen, producten in bewerking, gereed product. De voorraden behoren tot de vlottende activa. In de IFRS regels wordt gesproken over zaken waarvan de onderneming de intentie heeft die te verkopen.

Voortschrijdend budget
Budget dat periodiek wordt aangepast doordat een reeds verstreken periode uit het budget wordt verwijderd en een nieuwe periode wordt toegevoegd.

Voorzichtigheidsbeginsel
Hierbij wordt ervan uitgegaan dat bij het opstellen van de jaarrekening voorzichtig moet worden betracht. Dit betekent onder meer dat verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden vóór het einde van het boekjaar in acht moeten worden genomen als zij vóór het opmaken van de jaarrekening bekend zijn. Winsten daarentegen worden pas in de jaarrekening verwerkt op het moment van realisatie. Zie Jaarrekening.

Voorziening dubieuze debiteuren
Als twijfel bestaat of debiteuren daadwerkelijk zullen betalen, kan een voorziening dubieuze debiteuren getroffen worden. Deze voorziening dient op de post debiteuren in mindering te worden gebracht.

Voorzieningen
Dit zijn kosten waarbij wordt voorzien dat die nog na het boekjaar moeten worden gemaakt i.v.m. de opbrengsten van dit boekjaar of voorafgaande boekjaren. Bij reorganisatie-voorzieningen is geen koppeling aan de opbrengsten maar wel aan een voorgenomen besluit (en dus behoren tot de activiteiten van dit of voorgaande jaren). Een voorziening moet worden gevormd voor concrete of specifieke risico’s en verplichtingen die op de balansdatum werkelijk bestaan én in te schatten zijn. Binnen de IFRS-richtlijnen bestaat er weinig ruimte om een voorziening op te bouwen.

Vreemd vermogen
Vermogen dat van schuldeisers is verkregen.

Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ)
(begrip uit de zorgsector)
Het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) is een onafhankelijk instituut dat zorginstellingen de mogelijkheid biedt voordelige leningen af te sluiten. Het fonds beoordeelt voor toetreding de instelling op haar kredietwaardigheid. Eenmaal toegetreden staat het fonds garant voor het terugbetalen van leningen in geval de instelling daartoe zelf niet in staat is. Daardoor kunnen instellingen een gunstiger rentetarief bedingen bij hun bank. Het WfZ stelt niet alleen eisen aan financiële kengetallen, maar kijkt ook naar zaken als kwaliteit van management, het hebben van een strategische visie en een ondernemingsplan. Sinds 1999 (bron: RIVM) is een stijgende lijn te zien van instellingen die deelnemen in het Waarborgfonds. Het percentage deelnemende instellingen geeft daarom een goede indicatie voor de financiële weerbaarheid van instellingen.

Waarde van een onderneming
Bij verkopen of kopen van ondernemingen is de vraag wat een onderneming waard is cruciaal. Daartoe zijn een aantal mogelijkheden, met voor elke methode haar eigen voor- en nadelen. Mogelijke manieren om een onderneming te waarderen zijn: liquidatiewaarde, rentabiliteitswaarde, intrinsieke waarde (de waarde van alle bezittingen van de onderneming, verminderd met de schulden die er zijn), discounted cashflow, enzovoort.

Waardeanalyse (Value engineering)
Een systematisch interdisciplinair onderzoek van factoren die van invloed zijn op de kosten van een product of dienst. Hierbij wordt het product opgesplitst in alle elementen of kenmerken van het product. Aan elk element wordt een prijs of waarde toegekend (= het bedrag dat een klant bereid is te betalen voor dit element). Waardeanalyse wordt gedaan met als doel de kosten te verlagen, betere productontwerpen (en daarmee de kosten te verlagen) of niet-noodzakelijke functies te vinden die de kosten verhogen, maar de klant niet wil betalen.

Waardering
Waardering is de bepaling van de geldswaarde van de activa en/of passiva. Er zijn diverse methoden voor waardering.

Waarderingsgrondslag
Methode op basis waarvan de waarde van een bezit wordt bepaald, bijvoorbeeld bij het samenstellen van een balans of Winst- en verliesrekening. Er zijn verschillende waardebegrippen zoals boekwaarde, contante waarde, kostprijs, vervangingswaarde, intrinsieke waarde, liquiditeitswaarde, enzovoorts. De waarderingsgrondslag geeft in de toelichting op de balans aan op welke wijze de activa en passiva gewaardeerd zijn.

Warrant
Een financieel instrument dat de houder ervan het recht geeft bepaalde aandelen te kopen tegen een vastgestelde prijs.

Warrantlening
Obligatielening waarbij de geldgever het recht krijgt, tegen een vastgestelde prijs, aandelen te kopen van de onderneming waaraan de obligatielening is verstrekt.

Weerstandsvermogen
Het eigen vermogen en de vrije reserves. Ook wel het balanstotaal minus het bedrag van leningen. Het weerstandsvermogen is belangrijk om tegenvallers te kunnen opvangen. Een algemene maatstaf voor de hoogte van het weerstandsvermogen is lastig te geven, dat is afhankelijk van het risicoprofiel van de organisatie.

Weighted Average Cost of Capital (WACC)
Dit is de Engelse term van Gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet (zie daar).

Werkkapitaal
Werkkapitaal geeft een indicatie van de liquiditeit van een onderneming. Het wordt berekend als het verschil tussen vlottende activa en vlottende passiva. Dit wordt ook wel het nettowerkkapitaal genoemd. Brutowerkkapitaal wordt alleen gevormd door de vlottende activa. Het werkkapitaal is een absoluut bedrag dat een onderneming vrij ter beschikking heeft.

Werkkapitaal wordt ook gezien als het overschot (positief) of tekort (negatief) van de activa dat op korte termijn in geld is om te zetten en de verplichtingen die op korte termijn moeten worden voldaan. Een positief saldo geeft aan dat meer permanent en lang vreemd vermogen is aangetrokken dan het bedrag dat in de vaste activa is geïnvesteerd. Het werkkapitaal geeft een indicatie van de speelruimte die een onderneming heeft bij het in financiële zin soepel laten verlopen van de activiteiten. Bij te snel groeiende ondernemingen kan dit problemen geven om de financiering hiervan rond te krijgen. Dit kengetal wordt ook wel netto werkkapitaal genoemd.

Formule:

Werkkapitaal

=

vlottende activa -/- vlottende passiva

Norm:

Positief: waarbij de omvang afhankelijk is van de branche en het gewenste vermogen.

Een negatief werkkapitaal kan vaak voorkomen in een holdingconstructie.

Werkkapitaal quote
Dit kengetal kijkt niet naar het werkkapitaal als een statisch geheel, maar relateert dit aan de omvang van de activiteiten van de onderneming. Het percentage kan per bedrijfstak ver uiteenlopen. Dit is mede afhankelijk van zowel de omzetsnelheid van de voorraden als van de debiteuren. Concreet is het een norm voor de hoeveelheid werkkapitaal.

Formule:

werkkapitaal

Werkkapitaal quote

=

x 100%

jaaromzet

Werkmaatschappij
Dochtersmaatschappij (alle maatschappijen zowel financierings-, productie- of handelsmaatschappij) waarvan de meerderheid van de aandelen in handen is van de moedermaatschappij of houdstermaatschappij (holding company).

Wet financiering decentrale overheden (Wet FIDO)
(begrip uit de overheidssector)
In deze wet zijn de kaders gesteld voor een verantwoorde professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van de decentrale overheden.

Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)
(begrip uit de zorgsector)
Gemeenten zijn met de WMO verantwoordelijk voor maatschappelijke ondersteuning. Dit omvat activiteiten die het mensen mogelijk maken om mee te doen in de samenleving. Het gaat daarbij om thuiszorg, sociale activering, ondersteuning van mantelzorg en voorlichtingsloketten. De overheid geeft een aantal kaders aan, waarbinnen de gemeente haar eigen beleid kan maken dat is afgestemd op de wensen en de samenstelling van de inwoners.

Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG)
(begrip uit de zorgsector)
De Wet Marktordening Gezondheidszorg; regelt marktordening, doelmatigheid en beheerste kostenontwikkeling op het gebied van de gezondheidszorg. Deze wet vervangt de Wet Tarieven Gezondheidszorg (WTG). Vanwege deze laatste wet golden voor ziekenhuizen en vrije beroepsbeoefenaars tarieven en budgetten die jaarlijks moesten worden vastgesteld en verantwoord. Voor de AWBZ-zorg gold eenzelfde systeem. In de overgangsperiode naar vrije prijsvorming blijft ook onder de WMG deze wijze van bekostiging volgens het WTG-stramien, verlopen (via beleidsregels). De beleidsregels beschrijven hoe tarieven en budgetten van instellingen procedureel en inhoudelijk tot stand komen. Onder de WTG werd dit vastgesteld door het College Tarieven Gezondheidszorg (CTG), onder de WMG door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Inwerkingtreding 1 oktober 2006. Zie ook WTG.

Wet Openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT)
(begrip uit de overheidssector en zorgsector)
In 2006 is de Wopt in werking getreden. Deze wet regelt dat elke instelling die overwegend uit publieke middelen is gefinancierd, jaarlijks het inkomen per functie moet publiceren indien dit inkomen uitgaat boven dat van de Minister. (normbedrag 2009 € 181.000).

Wet Tarieven Gezondheidszorg (WTG)
(begrip uit de zorgsector)
De wet tarieven gezondheidszorg; regelde de totstandkoming van de tarieven die instellingen en zelfstandige beroepsbeoefenaars in de zorgsector mogen berekenen; vervallen met de inwerkingtreding van de Wet Marktordening Gezondheidszorg (wmg) per 1 oktober 2006. Zie ook WMG.

Wetgeving op de jaarrekening
De Nederlandse wetgeving rond de jaarrekening is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW) Titel 9 van Boek 2. Verder is er in Nederland sinds 2005 aanvullende regelgeving in de vorm van richtlijnen door de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ), onderverdeeld in richtlijnen voor kleine (niet controleplichtige) en middel- tot grote ondernemingen (controleplichtige). Bovendien spelen de internationaal geformuleerde accounting standaarden IFRS voor multi-nationals een grote rol. De verwachting is dat deze in de loop van dit decennium ook voor andere vennootschappen een rol gaan spelen.

Wettelijke reserve
Reserve die op grond van de wet gevormd moet worden.

Windowdressing
Handelingen van de onderneming die als enig doel hebben de verslaggeving op balansdatum een te rooskleurig aanzien te geven.

Winkeldochter
In de detailhandel wordt incourante voorraad winkeldochters genoemd. Het gaat om voorraad (producten) die niet verkocht kunnen worden.

Winst
Winst is het positieve verschil tussen opbrengsten en kosten. Is het verschil negatief dan is sprake van verlies.

Winst per aandeel
De (netto)winst wordt meestal deels uitgekeerd aan alle verschaffers van eigen vermogen. Het kan zijn dat een aantal verschaffers een bevoorrechte positie heeft, bijvoorbeeld prioriteitsaandelen of preferente aandelen. Als de winst hiermee wordt gecorrigeerd, ontstaat de gecorrigeerde nettowinst.

Formule:

gecorrigeerde winst

Winst per aandeel

=

aantal geplaatste gewone aandelen

Winst-en-verliesrekening (W/V-rekening)
Dit wordt ook wel resultatenrekening, rekening van baten en lasten of exploitatierekening genoemd. Geeft een overzicht van de opbrengsten en kosten gedurende een bepaalde periode. Er bestaan twee verschillende indelingen van de winst-en-verliesrekening:

1. productie/omzetmethode met categorale kostensplitsing,

2. omzetmethode met functionele kostensplitsing.

Hierna wordt een winst-en-verliesrekening volgens de omzetmethode (functionele kostensplitsing) beschreven om de samenhang tussen de verschillende begrippen in de winst-en-verliesrekening weer te geven. Het bruto-omzetresultaat wordt ook het brutobedrijfsresultaat genoemd. Het bedrijfsresultaat wordt ook wel netto-omzetresultaat of soms nettobedrijfsresultaat. Dit is hetzelfde als EBIT.

Netto-omzet

……..

Kostprijs van de omzet

-/-

……..

Bruto-omzetresultaat

……..

Overige bedrijfsopbrengsten

+

……..

Verkoopkosten

-/-

……..

Algemene beheerkosten

-/-

……..

Overige bedrijfskosten

-/-

……..

Bedrijfsresultaat

……..

Om de winst-en-verliesrekening compleet te maken, wordt hieronder de aansluiting tussen het bedrijfsresultaat en de nettowinst gegeven.

Bedrijfsresultaat

……..

Financiële baten en lasten

+/-

……..

Resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening vóór belastingen

……..

Belastingen

-/-

……..

Aandeel in winst/verlies deelnemingen

-/-

……..

Resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening ná belastingen

……..

Buitengewone baten en lasten

……..

Belasting hierover

+

……..

Nettowinst

……..

Winstbestemming
De winstbestemming geeft aan welk bedrag of percentage aan aandeelhouders en andere deelgerechtigden wordt uitgekeerd en hoeveel er in de onderneming zelf blijft aan ingehouden winsten.

Winstbewijs
Een bewijs, zonder aandeel in het eigen vermogen, dat recht geeft op een aandeel in de uitgedeelde winst.

Winstcentrum
Dit is een verantwoordelijkheidscentrum waarin managers en andere medewerkers zowel de opbrengsten als de kosten beheersen van de producten of diensten die zij leveren. Een winstcentrum is vergelijkbaar met een onafhankelijke organisatie. Het enige verschil is dat het hoogste management, en niet de manager van het centrum, verantwoordelijk is voor de mate waarin in het centrum wordt geïnvesteerd.

Een verantwoordelijkheidscentrum geeft aan in welke mate de manager van dat centrum opbrengsten, kosten, winst of rentabiliteit van het geïnvesteerd vermogen beheerst. Accountants (en in lijn daarmee ook anderen) delen verantwoordelijkheidscentra in vier typen in: kostencentra, opbrengstencentra, winstcentra en investeringscentra. Deze centra kunnen werkmaatschappijen zijn of onderdelen van werkmaatschappijen. Daarnaast kunnen deze onderdelen meer of minder bevoegdheden hebben.

Winstreserve
Gedeelte van het eigen vermogen dat ontstaat door het inhouden van winsten.

Yieldcurve
Een yieldcurve is een term uit het vermogensbeheer, met name in de context van obligaties: een yieldcurve is een grafiek die het verband weergeeft tussen het rendement op overigens gelijke of vergelijkbare leningen met diverse looptijden. Op de horizontale as wordt de looptijd in jaren aangegeven, op de verticale as het rendement.

Zorgkantoor
(begrip uit de zorgsector)
De uitvoering van de AWBZ is sinds 1998 in handen van de zorgkantoren. Deze zijn door de gezamenlijke zorgverzekeraars in het leven geroepen. Zorgkantoren zijn zelfstandig werkende kantoren – nauw gelieerd aan de zorgverzekeraar ter plekke – die zorgvraag en zorgaanbod in een specifieke regio zo goed mogelijk op elkaar trachten af te stemmen.

De financiële lijn is dat de AWBZ-premies aan de zorgverzekeraars worden uitbetaald via het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. De AWBZ-middelen worden jaarlijks verdeeld over de zorgkantoren op basis van gemiddelde uitgaven in het verleden. De zorgkantoren bekostigen de zorgverlenende instellingen op basis van het aantal ingekochte zorgzwaartepakketten (ZZP). Hierover zijn met hen tarieven afgesproken met een maximum zoals die gesteld is door de Nederlandse Zorgautoriteit. De zorgkantoren kopen vervolgens zorg in bij zorgverleningorganisaties.

Zorgverzekeringsstelsel
(begrip uit de zorgsector)
Sinds 1 januari 2006 kent Nederland een nieuw zorgverzekeringsstelsel. Een aantal oude verzekeringsvormen (ziekenfonds, particuliere verzekering en de ambtenarenregeling) bestaat niet meer. Daarvoor in de plaats is er één zorgverzekering met een wettelijk omschreven basispakket. Naast dit pakket bieden zorgverzekeraars aanvullende verzekeringen aan.

Het stelsel is ingedeeld in de volgende drie compartimenten:

> Het eerste compartiment: zware medische risico’s, verzekerd in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ);

> Het tweede compartiment: basismedische zorg, op basis van de Zorgverzekeringswet;

> Het derde compartiment: de minder noodzakelijk geachte vormen van zorg, al dan niet gedekt door aanvullende (particuliere) verzekeringen.

Zorgzwaartepakket (ZZP)
(begrip uit de zorgsector)
Een zorgzwaartepakket is een volledig pakket van zorg dat aansluit op de kenmerken van de cliënt en het soort zorg dat de cliënt nodig heeft. Een ZZP bestaat uit een beschrijving van het type cliënt, het aantal benodigde uren zorg en een beschrijving van deze zorg. Voor iedere ZZP staat een maximale prijs van de Nederlandse Zorgautoriteit.

Lees ook mijn boek
Ondernemingsraad
voor Dummies
Boek OR voor dummies